Officiële spelling Nederlandse Taalunie

Woordgeslacht (algemeen)

Inleiding
Woordgeslacht
Biologisch geslacht
Mannelijke en vrouwelijke de-woorden
      a. Persoonsaanduidingen
      b. Diernamen
      c. Zaaknamen

Inleiding Top

Zelfstandige naamwoorden hebben een woordgeslacht (ook wel grammaticaal geslacht of genus genoemd). Dat woordgeslacht bepaalt de keuze van het bepaald lidwoord en de meeste voornaamwoorden. Vaak passen taalgebruikers het systeem van woordgeslachten zonder nadenken toe, maar in sommige gevallen gaan mensen twijfelen bij de keuze van het bepaald lidwoord (de of het) of bij het verwijzen met voornaamwoorden (bijvoorbeeld het, hem of haar). Dat komt doordat het woordgeslachtensysteem in het Nederlands geen vastomlijnd, onveranderlijk gegeven is. Er zijn geografische verschillen (voornamelijk tussen het noorden en het zuiden van het taalgebied), maar ook generatieverschillen (tussen jongere en oudere taalgebruikers) en stilistische verschillen (bijvoorbeeld tussen gesproken en geschreven taal) te onderscheiden. Bovendien evolueert het woordgeslachtensysteem door de tijd heen.

Het Nederlands kent drie woordgeslachten: mannelijk, vrouwelijk en onzijdig. Mannelijke en vrouwelijke woorden krijgen in het enkelvoud het lidwoord de, onzijdige woorden het lidwoord het. Elk zelfstandig naamwoord behoort tot een van die categorieën, maar sommige woorden kunnen meer dan één woordgeslacht hebben. Zo zijn koning en trap mannelijke woorden, prinses en informatie vrouwelijke woorden en geluk en kind onzijdige woorden. Commentaar kan zowel mannelijk als onzijdig zijn; fles zowel mannelijk als vrouwelijk. Informatie over het woordgeslacht is te vinden in verklarende woordenboeken en in de Woordenlijst Nederlandse Taal.

De variatie in woordgeslacht blijkt ook duidelijk bij verwijzing met persoonlijke en bezittelijke voornaamwoorden. In het noorden van het taalgebied (Nederland) zullen veel mensen bijvoorbeeld naar een kaars met hem verwijzen, in het zuiden (België en delen van Nederland) met ze of haar. In gesproken taal gebeurt dat verwijzen spontaan, maar in geschreven taal ontstaat er weleens onzekerheid bij taalgebruikers over de juiste verwijzingsvorm. Vaak wordt in schriftelijk taalgebruik dan ook voor alternatieve formuleringen gekozen, bijvoorbeeld met die en deze.

Bij woorden die naar levende wezens verwijzen (personen en dieren) speelt ook het natuurlijke of biologische geslacht van die wezens een rol. Naar een woord als kat wordt in het zuiden van het taalgebied meestal met ze, zij en haar verwezen; in het noorden met hij en zijn. Maar als men zich duidelijk bewust is van het biologisch geslacht van het dier, wordt – afhankelijk van dat geslacht – in het noorden ook wel met vrouwelijke en in het zuiden met mannelijke voornaamwoorden naar een kat verwezen.

Hieronder wordt dieper ingegaan op de termen 'woordgeslacht', 'biologisch geslacht' en 'mannelijke en vrouwelijke de-woorden'.


Woordgeslacht Top

Het woordgeslacht is een eigenschap van zelfstandige naamwoorden die de keuze van het bepaald lidwoord en de meeste voornaamwoorden bepaalt en die de verbuiging van het bijvoeglijk naamwoord regelt.

In het Nederlands onderscheiden we de-woorden en het-woorden. In dat opzicht spreken we van een tweegenerasysteem, een systeem met twee geslachten. De meeste woorden zijn ofwel het-woord, ofwel de-woord. Een beperkt aantal woorden kan zowel het-woord als de-woord zijn, soms met een betekenisverschil. Verkleinwoorden zijn altijd het-woorden.

de-woorden

de deur, de fles, de gemeenschap, de informatie, de koning, de koe, de man, de moeder, de organisatie, de prinses, de stoel, de tafel, de regering

het-woorden

het gebergte, het geluk, het feminisme, het kind, het meisje, het paard, het systeem, het tafeltje
zowel de- als het-woord

de bos ('bundel') - het bos ('woud'), de/het commentaar, de/het heethoofd, de/het pincet, de/het poeder


Verbogen / onverbogen bijvoeglijk naamwoord zonder betekenisverschil (algemeen)

Deze keer / dit keer, deze maal / ditmaal
Die / dat (geen haar op mijn hoofd - daaraan denkt)
Cluster (de / het -)
Deken (het / de -)
Idee (de / het -)
Matras (het / de -)
Modem (de / het -)
Nuclide (de / het -)

We maken ook een onderscheid tussen onzijdige, mannelijke en vrouwelijke woorden. Het-woorden zijn onzijdige woorden. De-woorden kunnen mannelijk en/of vrouwelijk zijn. In dat opzicht heeft het Nederlands ook een systeem met drie geslachten (driegenerasysteem).

onzijdige woorden

het gebergte, het geluk, het feminisme, het kind, het meisje, het paard, het systeem, het tafeltje

mannelijke woorden

de appel, de film, de koning, de man, de stoel, de strijd, de trap
vrouwelijke woorden

de gemeenschap, de informatie, de moeder, de organisatie, de prinses, de regering, de vrouw
woorden die zowel mannelijk als vrouwelijk zijn

de deur, de fles, de koe, de soep, de stad, de taal, de tafel, de vaas, de vlag


Biologisch geslacht Top

Bij de keuze voor het juiste voornaamwoord om naar levende wezens te verwijzen, speelt zowel het biologisch geslacht als het woordgeslacht een rol. Als het biologisch geslacht onbekend is of niet ter zake doet, ligt verwijzing met de onzijdige voornaamwoorden het en zijn het meest voor de hand. Als het biologisch geslacht duidelijk is of als de spreker dat expliciet wil aangeven, wordt meestal met mannelijke (hij, zijn) respectievelijke vrouwelijke (zij/ze en haar) voornaamwoorden verwezen. Soms is ook het mogelijk, bijvoorbeeld bij meisje en jongetje.

(1) Zou het paard ziek zijn? Het heeft zijn voedsel niet aangeraakt.

(2) Het kind heeft haar pop vergeten. Ze zal nu wel verdrietig zijn.

(3) Het nieuwe Kamerlid heeft zijn baard afgeschoren. Zo ziet hij er een stuk beter uit.

(4) Het schaap staat samen met haar lammetjes in de wei.

(5) Het meisje begon te lachen toen ze/het zijn verhaal hoorde.

(6) Toen het jongetje dichterbij kwam, zag ik dat hij/het een lui oog had.

Die / dat (het meisje -)


Mannelijke en vrouwelijke de-woorden Top

Sommige de-woorden zijn mannelijk. Andere zijn vrouwelijk. Een groot aantal de-woorden kan zowel mannelijk als vrouwelijk worden gebruikt. Moedertaalsprekers kunnen zich doorgaans laten leiden door hun taalgevoel. Bij twijfel kan men het woordgeslacht nagaan in woordenboeken of in de Woordenlijst. Hier bespreken we achtereenvolgens persoonsaanduidingen, diernamen en zaaknamen.

a. Persoonsaanduidingen Top

Bij persoonsaanduidingen is het onderscheid tussen mannelijke en vrouwelijke de-woorden over het algemeen duidelijk. Namen voor mannelijke personen zijn mannelijke zelfstandige naamwoorden. Namen voor vrouwelijke personen zijn vrouwelijke zelfstandige naamwoorden. Het biologisch geslacht van het wezen komt met andere woorden overeen met het grammaticaal geslacht van het woord.

mannelijke de-woorden

de boer, de jongen, de koning, de vader

vrouwelijke de-woorden

de dochter, de leidster, de prinses, de vrouw

Een apart geval vormen de zogenaamde sekseneutrale zelfstandige naamwoorden. Dat zijn persoonsaanduidingen die zowel naar mannen als naar vrouwen kunnen verwijzen, zoals beklaagde, blinde, getuige, leerkracht, persoon, president. Als het biologisch geslacht duidelijk is of als dat de spreker dat expliciet wil aangeven, wordt met mannelijke (hij, zijn) respectievelijke vrouwelijke (zij/ze en haar) voornaamwoorden verwezen. Als het biologisch geslacht niet duidelijk is of er niet toe doet, wordt meestal met mannelijke voornaamwoorden verwezen. Het kan voor taalgebruikers verwarrend zijn dat woordenboeken bij zulke woorden soms maar één woordgeslacht vermelden. Bijvoorbeeld president krijgt in veel woordenboeken de aanduiding m. terwijl die benaming naar zowel mannelijke als vrouwelijke personen kan verwijzen.

(7) De president heeft zijn medewerkers bij elkaar geroepen.

(8) De president heeft haar bezorgdheid over de situatie geuit.

Zijn / haar (de sollicitant)
Vrouwelijke beroepsnamen

b. Diernamen Top

Diernamen (hond, kat, muis, olifant, slang) worden in het noorden van het taalgebied (Nederland) over het algemeen als mannelijk beschouwd, zelfs als het van oorsprong vrouwelijke woorden betreft. Als de spreker zich duidelijk bewust is van het vrouwelijke geslacht van het dier of dat expliciet wil aangeven, wordt doorgaans wel met vrouwelijke voornaamwoorden verwezen (voorbeeld (10a)).

(9a) De kat heeft zijn melk opgedronken.

(10a) De kat heeft haar jongen verstopt.

In het zuiden van het taalgebied (België en delen van Nederland) hebben sommige diernamen een mannelijk woordgeslacht (hond, olifant) en andere een vrouwelijk woordgeslacht (kat, muis). Vrouwelijke diernamen krijgen er vrouwelijke voornaamwoorden, tenzij het biologisch geslacht duidelijk mannelijk is (voorbeeld 11). Mannelijke diernamen krijgen mannelijke voornaamwoorden tenzij het biologisch geslacht duidelijk vrouwelijk is (voorbeeld (12b)).

(9b) De kat heeft haar melk opgedronken.

(10b) De kat heeft haar jongen verstopt.

(11) De kat heeft zijn castratie goed doorstaan.

(12a) De hond staat voor zijn hok te blaffen.

(12b) De hond heeft haar jongen net gezoogd.

Een aantal diernamen zijn het-woorden (konijn, paard, schaap, varken). Naar die diernamen wordt in het hele taalgebied verwezen met de onzijdige voornaamwoorden het en zijn. De mannelijke en vrouwelijke voornaamwoorden worden gebruikt als de spreker het biologisch geslacht expliciet wil aangeven.

(13) Zou het paard ziek zijn? Het heeft zijn voedsel niet aangeraakt.

(14) Het paard en haar veulen stonden samen in de wei.

Zijn / haar (de muis heeft - staart bezeerd)

c. Zaaknamen Top

Een aantal zaaknamen is ofwel mannelijk, ofwel vrouwelijk. In naslagwerken krijgen dergelijke woorden de vermelding 'mannelijk' of 'vrouwelijk'. Een aantal vrouwelijke woorden is aan de vorm te herkennen: woorden op -de, -te, -heid, -ij, -ing, -ie, -theek, -teit en -nis zijn doorgaans vrouwelijk. Ook de-woorden op -tuur en -schap worden over het algemeen als vrouwelijk beschouwd.

mannelijke zaaknamen

de appel, de boom, de film, de optocht, de stoel, de strijd, de trap

vrouwelijke zaaknamen

de apparatuur, de bibliotheek, de blijdschap, de duisternis, de gemeenschap, de informatie, de kennis, de kwaliteit, de lengte, de liefde, de maatschappij, de organisatie, de regering, de schoonheid, de waarheid

Daarnaast wordt een groot aantal zelfstandige naamwoorden in het zuiden van het taalgebied als vrouwelijk beschouwd en in het noorden als mannelijk. De naslagwerken vermelden bij dergelijke woorden doorgaans alleen dat het de-woorden zijn, zonder verdere specificatie. Naar zulke woorden kan vaak zowel met mannelijke als met vrouwelijke voornaamwoorden verwezen worden.

zaaknamen die zowel mannelijk als vrouwelijk zijn

de deur, de fles, de soep, de stad, de taal, de tafel, de vaas, de vlag

In sommige delen van het taalgebied (vooral in het zuiden) kennen veel taalgebruikers nog een dialect waarin een onderscheid gemaakt wordt tussen drie geslachten (mannelijk, vrouwelijk of onzijdig). Aan de lidwoorden in dialecten kunnen ze het geslacht van de woorden herkennen. Enkele voorbeelden:

mannelijk

n∂ nieuwe stoel, n∂n boom, die(n)∂ film

vrouwelijk

een klein organisatie, een kamer, die bloem

onzijdig

∂ groot huis, ∂ systeem, da scherm

In het noorden van het taalgebied maken de meeste taalgebruikers alleen nog maar een onderscheid tussen de-woorden en het-woorden. Het verschil tussen mannelijke en vrouwelijke woorden wordt er vaak niet meer aangevoeld.

de-woorden

een nieuwe stoel, een boom, die film, een kleine organisatie, een kamer, die bloem

het-woorden

een groot huis, een systeem, dat scherm

Het verdwijnen van het verschil tussen mannelijke en vrouwelijke zelfstandige naamwoorden is een taalontwikkeling die al minstens vanaf de zeventiende eeuw aan de gang is: het oude systeem met drie geslachten (mannelijke, vrouwelijke en onzijdige woorden) maakt plaats voor een systeem met twee woordgeslachten (de- en het-woorden). In de standaardtaal is dat proces al zo goed als voltooid: woorden die van oorsprong mannelijk of vrouwelijk waren, hebben dezelfde lidwoorden (de, een) en ook de aanwijzende voornaamwoorden zijn hetzelfde (deze, die). Alleen bij verwijzing met persoonlijke en bezittelijke voornaamwoorden grijpt ons taalgevoel nog terug naar dat oudere systeem met drie geslachten. Toch is ook daar het onderscheid tussen mannelijke en vrouwelijke woorden aan het vervagen. In het zuiden van het taalgebied verloopt dat proces trager dan in het noorden.

Haar / ze / hem (de kaars, ik heb - uitgeblazen)
Hem / ze / haar (de bibliotheek, hij heeft - geopend)
Zijn / haar (de stad en - inwoners)

Zie ook

Verwijzingsproblemen met voornaamwoorden van de derde persoon enkelvoud (algemeen)
Volle en gereduceerde vormen van persoonlijke en bezittelijke voornaamwoorden (algemeen)
Woordgeslacht van afkortingen (algemeen)
Woordgeslacht van Engelse leenwoorden (algemeen)

Naslagwerken

ANS (1997), p. 147-162 of online via de E-ANS; Geschiedenis van het Nederlands in de twintigste eeuw (1999), p. 174-177; Grote Van Dale (2005); Schrijfwijzer (2005), p. 220-226; Taalboek Nederlands (2003), p. 113-116; Woordenlijst (2005)