Officiële spelling Nederlandse Taalunie

Verwijzingsproblemen met voornaamwoorden van de derde persoon enkelvoud (algemeen)

Inleiding
Verwijzen naar de-woorden
Verwijzen naar het-woorden
     a. Persoonsaanduidingen
     b. Diernamen
     c. Zaaknamen

Inleiding Top

Bij het verwijzen naar zelfstandige naamwoorden treden er bij de keuze van de voornaamwoorden van de derde persoon enkelvoud soms problemen op. Vooral bij persoonlijke en bezittelijke voornaamwoorden wordt weleens getwijfeld aan de juiste vorm, maar ook de keuze van het betrekkelijk voornaamwoord is soms problematisch. De vorm van die voornaamwoorden wordt bepaald door het woordgeslacht van het zelfstandig naamwoord, maar bij woorden die naar levende wezens verwijzen, speelt ook het biologisch geslacht van die wezens een rol.

Woordgeslacht (algemeen)


Verwijzen naar de-woorden Top

De-woorden zijn mannelijk, vrouwelijk of kunnen beide woordgeslachten hebben (mannelijk en vrouwelijk). De volgende tabellen bevatten een overzicht van de persoonlijke, bezittelijke en betrekkelijke voornaamwoorden voor enkelvoudige de-woorden van de derde persoon.

De-woord (mannelijk)

persoon

dier

zaak

voorbeeld

de man

de haan

de stoel

persoonlijk voornaamwoord, onderwerpsvorm

hij staat in de weg

hij loopt snel weg

hij staat in de weg

persoonlijk voornaamwoord,

niet-onderwerpsvorm

ik zie hem niet

ik zie hem niet

ik zie hem niet

bezittelijk voornaamwoord

zijn vrouw

zijn veren

zijn leuning

betrekkelijk voornaamwoord

die je niet kent

die je niet ziet

die je niet ziet


De-woord (vrouwelijk)

persoon

dier

zaak

voorbeeld

de vrouw

de merrie

de organisatie

persoonlijk voornaamwoord, onderwerpsvorm

zij/ze staat in de weg

ze loopt in de wei

ze bestaat al jaren

persoonlijk voornaamwoord,

niet-onderwerpsvorm

ik zie haar niet

ik zie ze niet (in het zuiden van het taalgebied)

ik zie haar niet

ik zie ze niet (in het zuiden van het taalgebied)

ik ken haar niet

ik ken ze niet (in het zuiden van het taalgebied)

bezittelijk voornaamwoord

haar man

haar veulen

haar werknemers

betrekkelijk voornaamwoord

die je niet kent

die je niet ziet

die je niet kent


De-woord (mannelijk of vrouwelijk)

persoon

dier

zaak

voorbeeld

de persoon

de kat

de kast

persoonlijk voornaamwoord, onderwerpsvorm

hij staat in de weg

zij/ze staat in de weg


hij heeft een muis gevangen (in het noorden van het taalgebied)

ze heeft een muis gevangen (in het zuiden van het taalgebied)

hij staat naast het raam (in het noorden van het taalgebied)

ze staat naast het raam (in het zuiden van het taalgebied)

persoonlijk voornaamwoord,

niet-onderwerpsvorm

ik zie hem niet

ik zie haar niet

ik zie ze niet (in het zuiden van het taalgebied)


ik zie hem niet (in het noorden van het taalgebied)

ik zie ze niet (in het zuiden van het taalgebied)

ik zie haar niet (vooral in het zuiden van het taalgebied)

ik zie hem niet (in het noorden van het taalgebied)

ik zie ze niet (in het zuiden van het taalgebied)

ik zie haar niet

bezittelijk voornaamwoord

haar auto

zijn auto

zijn prooi (in het noorden van het taalgebied)

haar prooi (in het zuiden van het taalgebied)

zijn deuren (in het noorden van het taalgebied)

haar deuren (in het zuiden van het taalgebied)

betrekkelijk voornaamwoord

die je niet kent

die je niet ziet

die je niet ziet


Sommige de-woorden zijn altijd mannelijk, bijvoorbeeld: boom, film, man, optocht, strijd, trap, vader. We gebruiken mannelijke voornaamwoorden om ernaar te verwijzen. Andere zijn altijd vrouwelijk: dochter, gemeenschap, informatie, organisatie, regering, vrouw. We verwijzen ernaar met vrouwelijke voornaamwoorden. In de Woordenlijst en in woordenboeken krijgen zulke de-woorden een expliciete vermelding van het woordgeslacht ('mannelijk' of 'vrouwelijk').

(1) Volgende week wordt de eerste film van Hitchcock weer uitgezonden. Ik heb hem nog niet gezien.

(2) Mijn dochter heeft haar kinderen naar school gebracht.


Een groot aantal de-woorden (vooral zaak- en diernamen) kan zowel mannelijk als vrouwelijk gebruikt worden: tafel, fles, kat, muis, soep, taal, vaas, vlag. De naslagwerken vermelden bij die woorden vaak alleen dat het om een de-woord gaat. In het noorden van het taalgebied (Nederland) worden die woorden meestal als mannelijk beschouwd. Taalgebruikers daar gebruiken er de mannelijke voornaamwoorden hij, hem en zijn voor. Bij diernamen speelt naast het woordgeslacht soms ook het biologisch geslacht een rol. Alleen als de spreker zich duidelijk bewust is van het vrouwelijk biologisch geslacht van het dier dat met het de-woord wordt aangeduid, of dat biologisch geslacht expliciet wil aangeven, wordt wel meestal een vrouwelijk voornaamwoord gebruikt (zie voorbeeld (6a)).

(3a) Zie je die tafel? Je moet hem aan de kant zetten, want zijn poten zijn niet stevig. (in het noorden van het taalgebied)

(4a) Waar is de vaas? Hij staat niet in de keuken. (in het noorden van het taalgebied)

(5a) Waar is je kat? Ik heb hem nog niet geaaid. (in het noorden van het taalgebied)

(6a) Daar ligt de kat. Ze heeft gisteren gejongd. (in het hele taalgebied)

In het zuiden (in België en delen van Nederland) beschouwen taalgebruikers dergelijke de-woorden meestal als vrouwelijk. Ze gebruiken de vrouwelijke voornaamwoorden ze en haar. Maar als het duidelijk om een mannelijk dier gaat, wordt wel meestal een mannelijk voornaamwoord gebruikt (zie voorbeeld (6b)).

(3b) Zie je die tafel? Je moet ze/haar aan de kant zetten, want de poten zijn niet stevig. (in het zuiden van het taalgebied)

(4b) Waar is de vaas? Ze staat niet in de keuken. (in het zuiden van het taalgebied)

(5b) Waar is je kat? Ik heb haar/ze nog niet geaaid (in het zuiden van het taalgebied)

(6b) Daar is onze kat. Hij is gisteren gecastreerd. (in het hele taalgebied)

Haar / ze / hem (de kaars, ik heb - uitgeblazen)
Zijn / haar (de stad en - inwoners)
Zijn / haar (de muis heeft - staart bezeerd)


Bij vrouwelijke woorden is er ook geografische variatie in de keuze voor de niet-onderwerpsvorm van het persoonlijk voornaamwoord. Voor personen gebruikt men in het hele taalgebied haar; in het zuiden van het taalgebied daarnaast ook ze.

(7a) Waar is je zus? Ik heb haar al een paar dagen niet gezien.

(7b) Waar is je zus? Ik heb ze al een paar dagen niet gezien. (in het zuiden van het taalgebied)

Voor vrouwelijke zaak- en diernamen wordt in het zuiden over het algemeen ze gebruikt, maar ook haar is gangbaar, vooral bij dieren. In het noorden van het taalgebied is ze als niet-onderwerpsvorm weinig gebruikelijk. Haar wordt in het noorden weleens gebruikt voor vrouwelijke dieren, maar hoofdzakelijk in formele taal. Voor zaaknamen komt haar ook alleen voor in formele taal.

(8a) Heeft de kat al gejongd? Ik heb ze al een paar dagen niet gezien. (in het zuiden van het taalgebied)

(8b) Heeft de kat al gejongd? Ik heb haar al een paar dagen niet gezien (in het hele taalgebied)

(9a) Wat vond je van die uitzending gisteren? Ik heb ze niet gezien. (in het zuiden van het taalgebied)

(9b) Wat vond je van die uitzending gisteren? Ik heb haar niet gezien. (in het hele taalgebied, formeel)

(10a) Als de gemeente de vergunning intrekt, zal de aannemer ze opnieuw moeten aanvragen. (in het zuiden van het taalgebied)

(10b) Als de gemeente de vergunning intrekt, zal de aannemer haar opnieuw moeten aanvragen. (in het hele taalgebied, formeel)

In het noorden wordt, zeker in spreektaal en in informele schrijftaal, ook hem gebruikt om naar vrouwelijke voorwerpsnamen en diernamen te verwijzen. Maar voor heel wat taalgebruikers in het noorden is dat gebruik toch niet aanvaardbaar in formele schrijftaal. Het is daarom onduidelijk of hem voor vrouwelijke zaak- en diernamen in het noorden als correct kan worden beschouwd in formelere contexten (zie voorbeeld (10c)).

(8c) Heeft de kat al gejongd? Ik heb hem al een paar dagen niet gezien (in het noorden van het taalgebied, informeel)

(9c) Wat vond je van die uitzending gisteren? Ik heb hem niet gezien. (in het noorden van het taalgebied)

(10c) Als de gemeente de vergunning intrekt, zal de aannemer hem opnieuw moeten aanvragen. (in het noorden van het taalgebied, status onduidelijk)

Om het verwijzingsprobleem te omzeilen wordt in geschreven taal vaak een andere formulering gekozen, bijvoorbeeld een verwijzing met die of deze.

(9d) Wat vond je van die uitzending gisteren? Die heb ik niet gezien.

Hem / ze / haar (de bibliotheek, hij heeft - geopend)
Ze / haar (verwijzing naar personen)


Bij sekseneutrale persoonsaanduidingen die zowel naar mannen als vrouwen kunnen verwijzen (getuige, sollicitant, leerkracht), wordt de voornaamwoordkeuze bepaald door het biologisch geslacht. Als het biologisch geslacht niet bekend of niet relevant is, wordt er verwezen met zijn of met zijn of haar.

(11a) De president heeft zijn medewerkers bij elkaar geroepen.

(11b) De president heeft haar bezorgdheid over de situatie geuit.

(12) De sollicitant moet zijn of haar cv per mail sturen.

Haar / zijn (wie heeft - huiswerk niet gemaakt?)
Zijn / haar (de sollicitant)
Vrouwelijke beroepsnamen


Verwijzen naar het-woorden Top

Het-woorden zijn onzijdige woorden. De volgende tabel bevat een overzicht van de persoonlijke, bezittelijke en betrekkelijke voornaamwoorden die naar enkelvoudige het-woorden van de derde persoon kunnen verwijzen.

Het-woord (onzijdig)

persoon

dier

zaak

voorbeeld

het kind

het paard

het bedrijf

persoonlijk voornaamwoord, onderwerpsvorm

het speelt

hij speelt

zij/ze speelt

het hinnikt

hij hinnikt

ze hinnikt

het is failliet

persoonlijk voornaamwoord,

niet-onderwerpsvorm

ik ken het niet

ik ken hem niet

ik ken haar niet

ik ken ze niet (in het zuiden van het taalgebied)

ik zie het niet

ik zie hem niet

ik zie haar niet

ik zie ze niet (in het zuiden van het taalgebied)

ik ken het niet

bezittelijk voornaamwoord

zijn ouders

haar ouders

zijn weide

haar weide

zijn werknemers

betrekkelijk voornaamwoord

dat je niet kent

dat je niet kent

dat je niet kent


a. Persoonsaanduidingen Top

Als een het-woord een persoon aanduidt, kunnen we verwijzen met hij of zij/ze, afhankelijk van het biologisch geslacht. Het is soms ook mogelijk. Vaak is ook het aanwijzend voornaamwoord die correct. Als niet-onderwerpsvorm gebruiken we voor personen hem of haar, of ook het. In het zuiden van het taalgebied wordt voor vrouwelijke persoonsaanduidingen ook ze gebruikt (maar niet na een voorzetsel, zie (16a) en (17a)).

(13) Hij groette het schoolhoofd toen (het)/hij/zij/ze/die hem voorbijfietste.

(14) Toen het jongetje dichterbij kwam, zag ik dat hij/het een lui oog had.

(15a) Hij zag het meisje en gaf haar/het een snoepje.

(15b) Hij zag het meisje en gaf ze een snoepje. (in het zuiden van het taalgebied)

(16a) Het afdelingshoofd reageerde niet op de vraag die hem/haar/aan haar/aan hem was gesteld.

(16b) Het afdelingshoofd reageerde niet op de vraag die ze was gesteld. (in het zuiden van het taalgebied)

(17a) Zie je dat meisje? Op haar kun je rekenen.

In informeel taalgebruik worden ook voornaamwoordelijke bijwoorden gebruikt om naar personen te verwijzen.

(17b) Zie je dat meisje? Daar kun je op rekenen. (informeel)

Waarmee / met wie (de mensen - ik samenwerk)

Soms wordt het betrekkelijk voornaamwoord die gebruikt om naar het-woorden te verwijzen. Bij persoonsaanduidingen (zoals meisje) is dat alleen mogelijk in uitbreidende bijvoeglijke bijzinnen (zie (19a)). Naar zaaknamen (zoals boek) kan alleen met dat worden verwezen.

(18a) Het meisje die daar staat, ken ik niet. (fout)

(18b) Het meisje dat daar staat, ken ik niet.

(19a) Zijn vriendinnetje, die ik net heb leren kennen, vindt mij wel aardig.

(19b) Zijn vriendinnetje, dat ik net heb leren kennen, vindt mij wel aardig.

(20a) Het boek die daar ligt, heb ik al gelezen. (fout)

(20b) Het boek dat daar ligt, heb ik al gelezen.

Die / dat (eentje -)
Die / dat (het meisje -)
Die / dat (het boek -)


b. Diernamen Top

Naar onzijdige diernamen (paard, schaap, varken) wordt verwezen met het en zijn, tenzij de spreker zich van het biologisch geslacht van het dier bewust is of dat expliciet wil aangeven. In dat geval kan ook met hij en zijn of met ze en haar worden verwezen.

(21) Zou het schaap ziek zijn? Het heeft zijn voedsel niet aangeraakt.

(22) Het paard en zijn/haar veulen stonden samen in de wei.

(23) Heb je het paard Black Beauty al gezien? Het/hij/ze staat in de stal.


c. Zaaknamen Top

In de regel gebruiken we het persoonlijk voornaamwoord het om naar enkelvoudige het-woorden voor zaaknamen te verwijzen.

(24) Dat ons bedrijf succesvol is, blijkt uit het feit dat het nog steeds groeit.

(25) Had jij al van dat advocatenkantoor gehoord? Ik kende het niet.

In een beklemtoonde positie is het niet mogelijk. We kunnen dan het aanwijzend voornaamwoord dat gebruiken. Naar verzamelnamen zoals bestuur, panel, publiek wordt – vooral in informele spreektaal – verwezen met de meervoudige woorden ze, zij, hen en hun, waardoor we de nadruk leggen op de individuele leden van de groep. In verzorgde schrijftaal heeft een enkelvoudige verwijzing wel de voorkeur.

(26a) Een belangrijke rol is weggelegd voor het bestuur. Alleen het bepaalt de moeilijkheidsgraad van de examens. (fout)

(26b) Een belangrijke rol is weggelegd voor het bestuur. Alleen dat bepaalt de moeilijkheidsgraad van de examens.

(26c) Een belangrijke rol is weggelegd voor het bestuur. Alleen zij bepalen de moeilijkheidsgraad. (informeel, spreektaal)

Ook na voorzetsels (zoals van, op, over) is het niet mogelijk. Soms kunnen we een voornaamwoordelijk bijwoord (zoals ervan, daarover, hiermee) gebruiken. Als dat niet mogelijk is, kunnen we een omschrijving gebruiken. Vaak kan ook met de meervoudige voornaamwoorden ze, zij, hen en hun verwezen worden, zeker in informele spreektaal.

(27a) Het alibi klopte met de details die over het verteld waren. (fout)

(27b) Het alibi klopte met de details die erover verteld waren.

(27c) Het alibi klopte met de details die de dader verteld had.

(28a) Ik dank het gemeentebestuur. Zonder het had dit niet kunnen lukken. (fout)

(28b) Ik dank het gemeentebestuur. Zonder die instantie had dit niet kunnen lukken.

(28c) Ik dank het gemeentebestuur. Zonder hen had dit niet kunnen lukken. (informeel, spreektaal)

Het is ook niet mogelijk als het de functie heeft van meewerkend voorwerp (aan het) en niet naar een persoon verwijst. In zo'n geval kunnen we soms het voornaamwoordelijk bijwoord eraan gebruiken, maar vaak is het beter om de zin zo te herschrijven dat het geen meewerkend voorwerp meer is.

(29a) Het publiek reageerde niet op de vraag die het was gesteld. (fout)

(29b) Het publiek reageerde niet op de vraag die het had gekregen.

(29c) Het publiek reageerde niet op de vraag die ze hadden gekregen. (informeel, spreektaal)

Landnamen (Italië, Nicaragua), gemeentenamen (Glasgow, Utrecht) en bedrijfsnamen zonder betekenisvol kernwoord (Pepsi, Sony) zijn ook het-woorden. We kunnen ze immers combineren met het lidwoord het: het Italië van Berlusconi, het hippe Glasgow, het wereldwijd bekende Pepsi. We gebruiken dus de voornaamwoorden het en zijn om ernaar te verwijzen.

(30) Kijk naar Italië. Het is alsof het een nieuw elan krijgt.

(31) Glasgow heeft heel veel te bieden. Het wordt de laatste jaren dan ook steeds populairder bij toeristen.

(32) Pepsi heeft zijn winst dit jaar verdubbeld. Het maakte dus een grote vooruitgang.

Haar / zijn (Pepsi heeft - winst verdubbeld)
Haar / zijn (Venetië en - gondels)

Sommige taalgebruikers verwijzen naar onzijdige verzamelnamen met het vrouwelijke bezittelijk voornaamwoord haar. Hoewel zulke verwijzingen veel voorkomen, worden ze niet algemeen als correct beschouwd.

(33a) Het bestuur heeft haar conclusies getrokken. (twijfelachtig)

(33b) Het bestuur heeft zijn conclusies getrokken.

Haar / zijn (het bestuur heeft - goedkeuring uitgesproken)


Zie ook

Hen / hun (algemeen)
Volle en gereduceerde vormen van persoonlijke en bezittelijke voornaamwoorden (algemeen)

Woordgeslacht (algemeen)

Hen, hun / ze (verwijzing naar personen)
Hen, hun / ze (verwijzing naar zaken)

Naslagwerken

ANS (1997), p. 242-247 of online via de E-ANS; Geschiedenis van het Nederlands in de twintigste eeuw (1999); Schrijfwijzer (2005), p. 221-226; Taalboek Nederlands (2003), p. 113-116; 171-175, 178-180, 185-188; Woordenlijst (2005)