Officiële spelling Nederlandse Taalunie

Voorzetsels (algemeen)

In deze tekst wordt uitgelegd wat een voorzetsel is en welke functie deze woordsoort heeft. Daarna wordt wat dieper ingegaan op de complexe gebruiksmogelijkheden van voorzetsels.

1. Functie, vorm en plaats
2. Betekenis en gebruik


1. Functie, vorm en plaats Top

Een voorzetsel drukt een relatie uit tussen de woordgroep waar het zelf toe behoort, de zogeheten voorzetselconstituent, en een ander element in de zin. Het gaat meestal om een relatie van plaats, tijd, richting, doel, reden, oorzaak of middel.

De term voorzetsel kan in algemene zin gebruikt worden voor de hele categorie van voorzetsels, ongeacht de vorm en de plaats in de woordgroep. Voorbeelden van voorzetsels zijn:

aan, achter, bij, binnen, boven, buiten, dankzij, door, gedurende, in, langs, met, naar, nabij, om, omstreeks, onder, op, over, naast, per, qua, rond, sinds, te, tegen, tegenover, tijdens, tot, tussen, uit, van, vanaf, vanuit, via, volgens, voor, voorbij, wegens, zonder

Daarnaast kunnen voorzetsels, op basis van hun plaats in de woordgroep, onderscheiden worden van 'achterzetsels' en 'rondomzetsels':

- Een voorzetsel staat vooraan in de voorzetselconstituent en het wordt meestal gecombineerd met een persoonlijk voornaamwoord, een zelfstandig naamwoord of een zelfstandignaamwoordgroep. De meeste voorzetsels zijn van dit type. Bijvoorbeeld: voor (het huis), op (de universiteit), bij (mij), aan (mijn lieve moeder).

- Een voorzetsel dat achteraan in de voorzetselconstituent staat, wordt soms achterzetsel of achtergeplaatst voorzetsel genoemd. Achterzetsels komen vooral voor bij werkwoorden die een beweging uitdrukken, om de richting van die beweging te beklemtonen: (de trap) af, (het huis) uit, (het hoekje) om enzovoort.

- Een combinatie van een voor- en een achterzetsel wordt weleens een rondomzetsel of circumpositie genoemd. Het tweede, achtergeplaatste voorzetsel krijgt in enkele gevallen een andere vorm: met verandert in mee en tot wordt toe. Voorbeelden: onder (de kast) uit, achter (de kippen) aan, met (de wijzers van de klok) mee, naar (huis) toe.

De meeste voorzetsels zijn korte woorden. Daarnaast zijn er voorzetseluitdrukkingen: woordcombinaties die in hun geheel de functie van voorzetsel hebben. Voorbeelden hiervan zijn: door middel van, in plaats van, in verband met, met behulp van, met betrekking tot.


2. Betekenis en gebruik Top

Het gebruik van voorzetsels is in elke taal anders en nauwelijks in regels te gieten. Het Nederlands kent ongeveer honderd voorzetsels, en de meeste daarvan hebben heel wat verschillende betekenissen en gebruiksmogelijkheden. Soms zijn er in een zin verschillende voorzetsels mogelijk, al dan niet met een verschil in betekenis. Soms is er maar één correct. Er kunnen ook gebruiksverschillen spelen tussen België en Nederland.

Moedertaalsprekers kunnen voor het gebruik van voorzetsels meestal wel afgaan op hun taalgevoel, maar toch zijn er ook veel gevallen waar ook zij twijfelen over het juiste of beste voorzetsel. Bij twijfel kan een beroep gedaan worden op verklarende woordenboeken of voorzetselboeken, maar die naslagwerken bieden niet altijd een oplossing, juist omdat het gebruik van voorzetsels zo complex en taalspecifiek is. De naslagwerken kunnen onmogelijk alle gebruiks- en combinatiemogelijkheden van een voorzetsel vermelden. Maar dat een voorzetselcombinatie niet in een naslagwerk staat, hoeft niet te betekenen dat die fout of onmogelijk is.

Combinatiemogelijkheden

Voorzetsels kunnen nauw verbonden zijn met een zelfstandig naamwoord, bijvoeglijk naamwoord of werkwoord, bijvoorbeeld: fascinatie voor, in / op de eerste plaats, tegen de stroom in, verliefd op, benieuwd naar, denken aan, zich bemoeien met.

Soms hebben verschillende nabijgelegen woorden invloed op de keuze van het voorzetsel. Het is bijvoorbeeld zich inschrijven aan een universiteit en zich inschrijven voor een cursus, en je kunt je teksten afstemmen met je collega's en je teksten afstemmen op de doelgroep, bezwijken aan een ziekte of bezwijken onder de hoge werkdruk.

Vaak is er in een gegeven context maar één voorzetsel mogelijk, bijvoorbeeld: getrouwd zijn met iemand, vrezen voor de gevolgen, op zijn gemak zijn, van de trap vallen, boos zijn op iemand, op dieet zijn, bij de pinken zijn, op maandag, in de problemen zitten, iets uit je hoofd leren enzovoort. Maar in sommige combinaties is meer dan één voorzetsel mogelijk.

Betekenisrelaties

De meeste voorzetsels hebben verschillende basisbetekenissen. Zo kan het voorzetsel in onder andere de volgende betekenisrelaties uitdrukken: plaats (in de kast), richting (de tuin in, in het klooster gaan), tijdsduur (in een uur), tijdstip (in de zomer), toestand (in bloei, in flarden), middel (in goud betalen). De betekenisrelatie die wordt uitgedrukt bepaalt vaak welk voorzetsel correct is of past. Maar de meeste voorzetsels hebben ook idiomatische gebruiksmogelijkheden die moeilijk te voorspellen zijn op basis van de betekenis. Soms hebben voorzetsels geen duidelijke betekenis maar alleen een syntactische functie. Zo verbindt het voorzetsel dat een voorzetselvoorwerp inleidt dat zinsdeel met het gezegde: wennen aan iets / iemand, afzien van iets enzovoort.  

In de meeste gevallen wordt met een verschillend voorzetsel een verschillende betekenisrelatie uitgedrukt. Naar de stad fietsen betekent duidelijk iets anders dan door de stad fietsen, en over iemand praten heeft een andere betekenis dan tegen iemand praten. De betekenisverschillen kunnen ook subtieler zijn. Zo kun je trouwen op het stadhuis en in het stadhuis. Op het stadhuis benadrukt vooral de functie van het gebouw als officiële plaats om voor de wet te trouwen; in het stadhuis duidt letterlijker de locatie aan, het gebouw waar men zich bevindt.

In / op het gemeentehuis
In / op hoofdlijnen
In / op Cuba

In sommige combinaties kan meer dan één voorzetsel gebruikt worden, zonder (noemenswaardig) betekenisverschil. Enkele voorbeelden:

  • resistent zijn tegen / voor antibiotica
  • ik hoorde het van / via mijn moeder
  • bang zijn van / voor spinnen
  • stemmen op / voor die partij
  • iemand uitnodigen voor / op een receptie
  • gebonden zijn aan / door het beroepsgeheim
  • tijdens / in de winter
  • iets ter beschikking stellen aan / van iemand
  • in / tussen het publiek staan
  • lesgeven aan / op / in een school
In / op de eerste plaats
Vertellen tegen / aan
Afspraak (op / na / volgens -)
Vakantie (op / met -)
Risico van / op inbraak

Geografische verschillen

Soms wordt in Nederland of juist in België in een bepaalde combinatie een ander voorzetsel gebruikt, dat al dan niet tot de standaardtaal in dat taalgebied behoort. Zo wordt in België naast naar een restaurant gaan de combinatie op restaurant gaan gebruikt, en naast in de bus zitten ook op de bus zitten. In Nederland wordt op in die gevallen niet of nauwelijks gebruikt.

Allergisch aan / voor
Bloemen op / in de vaas
Gerust in / gerust op
Lachen met / om
Na / over (tien - drie)
Onder / in de arm nemen
Opkijken tegen / naar iemand
Waken over / voor

Zie ook

Wat is standaardtaal? (algemeen)

Naslagwerken

Het juiste voorzetsel (1999); Prisma Voorzetsels (2005); ANS (1997); Van Dale Taalhandboek Nederlands (2011); Schrijfwijzer (2012)