Officiële spelling Nederlandse Taalunie

Vorming van voltooide tijden met hebben / zijn (algemeen)

1. Hulpwerkwoorden van tijd
2. Vervoeging met 'zijn'
3. Vervoeging met 'hebben'
4. Vervoeging zowel met 'hebben' als met 'zijn'


1. Hulpwerkwoorden van tijd Top

De voltooide tijd wordt gevormd met het hulpwerkwoord hebben of zijn. Wanneer welk hulpwerkwoord wordt gebruikt, valt niet uitputtend te beschrijven. In goede woordenboeken staat daarom bij elk werkwoord of het met hebben of zijn gecombineerd wordt. Er zijn wel enkele regels en tendensen. Die worden in deze tekst beschreven.

De keuze voor hebben of zijn hangt samen met de betekenis van het zelfstandig werkwoord en met de vraag of dat werkwoord overgankelijk dan wel onovergankelijk gebruikt is, met andere woorden: of het werkwoord wel of geen lijdend voorwerp bij zich kan hebben.

De beschrijving die hierna volgt, heeft voornamelijk betrekking op categorieën van werkwoorden. Enkele afzonderlijke werkwoorden worden in aparte adviezen op deze website behandeld.


2. Vervoeging met 'zijn' Top

Met het hulpwerkwoord van tijd zijn worden vervoegd:

a. onovergankelijke werkwoorden (dat wil zeggen: werkwoorden die geen lijdend voorwerp bij zich kunnen hebben) die een verandering van toestand van het onderwerp uitdrukken (vergelijk paragraaf 3c)

(1) Wat ben je gegroeid!

(2) We zijn wel geschrokken van haar reactie.

(3) De vermoedelijke dader is gevlucht.

(4) Gelukkig was ik op tijd weggegaan/vertrokken.

(5) Het is een prachtig boek geworden.

Meer voorbeelden zijn: aankomen, komen, ontsnappen, rijzen, sterven, stijgen, vallen, verdwijnen, vergrijzen, verschijnen, voortkomen, wegsmelten.

Opgehouden te bestaan (het heeft / is -)

b. de werkwoorden blijken, blijven, gebeuren, geschieden, (ge)lukken, mislukken, slagen, voorvallen en zijn

(6) Hoelang ben je nog gebleven?

(7) Wat was er nu precies gebeurd/voorgevallen?

(8) Helaas is het experiment mislukt door fouten in de berekening.

(9) We zijn dit najaar in Madrid geweest.

c. hulpwerkwoord van de lijdende vorm

In zinnen in de lijdende vorm is het hulpwerkwoord van tijd in de voltooide tijd altijd zijn.

(10a) De inbrekers zijn (door de politie) gearresteerd.

(11a) Uit tal van huizen waren cheques en juwelen gestolen.

Lijdende vorm (passief) (algemeen)


3. Vervoeging met 'hebben' Top

Met het hulpwerkwoord van tijd hebben worden vervoegd:

a. vrijwel alle overgankelijke werkwoorden, dat wil zeggen: werkwoorden die een lijdend voorwerp bij zich kunnen hebben

(10b) De politie heeft de inbrekers gearresteerd.

(11b) Uit tal van huizen hadden ze cheques en juwelen gestolen.

(12) Ik heb al haar blogs gelezen.

(13) Hebben jullie kinderen de mazelen gehad?

(14) Joris heeft een mooi schilderij gemaakt.

(15a) Heb je je haar al gewassen?

Ook als een overgankelijk werkwoord wederkerend gebruikt wordt, is hebben het hulpwerkwoord van tijd:

(15b) Heb je je al gewassen?

(16) Op het laatste moment hebben we ons nog aangemeld.

Enkele overgankelijke werkwoorden worden met zijn vervoegd. De bekendste zijn beginnen, kwijtraken, naderen en tegenkomen.

(17) Gerard is een eigen adviesbureau begonnen.

(18) Waar ben je je jas kwijtgeraakt?

(19) De wielrenner was de kopgroep tot op twintig seconden genaderd.

(20) Vanmorgen zijn we onze vroegere buren tegengekomen in de stad.

Vergeten (ik ben / heb het -)
Verloren (ik ben / heb het -)
Gevolgd (ik ben / heb hem -)

b. de verplicht wederkerende werkwoorden

(21) Hij had zich blijkbaar vergist.

(22) Als ze zich het wachtwoord op tijd had herinnerd, was er niets aan de hand geweest.

c. de onovergankelijke werkwoorden die geen verandering van toestand van het onderwerp uitdrukken (vergelijk paragraaf 2a)

(23) Het bericht heeft maar kort op de nieuwssites gestaan.

(24) De was had de hele dag op het rek gehangen.

(25) Heb je lekker geslapen?

(26) De zon heeft vandaag helemaal niet geschenen.

d. de onpersoonlijke werkwoorden (die als onderwerp het niet-verwijzende voornaamwoord het hebben), zoals de werkwoorden die een natuurgebeuren uitdrukken. Enkele voorbeelden zijn bliksemen, dooien, ijzelen, miezeren, misten, onweren, plenzen, regenen, sneeuwen, stormen, vriezen en weerlichten.

(27) Het heeft hard geregend.

(28) Vannacht heeft het licht gevroren.

(29) Het had in dat gebied in jaren niet meer zo zwaar geonweerd.


4. Vervoeging zowel met 'hebben' als met 'zijn' Top

Er zijn twee groepen van werkwoorden die zowel met hebben als met zijn vervoegd kunnen worden:

a. werkwoorden die zowel overgankelijk als onovergankelijk gebruikt kunnen worden

Voorbeelden zijn bevriezen, ontdooien, eindigen, genezen, kalmeren, minderen, smelten, stoppen, trouwen, veranderen, verbranden, vermeerderen, verminderen en verteren. Bij overgankelijk gebruik worden deze werkwoorden met hebben vervoegd, bij onovergankelijk gebruik met zijn.

(30a) Het vruchtenmengsel is helemaal ontdooid; het kan nu verwerkt worden tot sorbet. ('door verhoging van de temperatuur uit bevroren toestand komen', onovergankelijk)

(30b) De keukenhulp heeft het vruchtenmengsel te laat ontdooid. ('uit bevroren toestand laten komen, smelten', overgankelijk)

(31a) Het hele archief is in de oorlog verbrand. ('in vlammen opgaan', onovergankelijk)

(31b) Ze hebben alle documenten verbrand. ('in vuur doen vergaan', overgankelijk)

(32a) Uiteindelijk is ze toch met hem getrouwd. ('in het huwelijk getreden', onovergankelijk)

(32b) De ambtenaar heeft zijn eerste stel getrouwd. ('in de echt verbonden', overgankelijk)

(33a) Na haar wereldreis was ze erg veranderd. (onovergankelijk)

(33b) De wereldreis heeft haar veranderd. (overgankelijk)

(34a) De koorts en andere klachten zijn gelukkig sterk verminderd. ('minder worden', onovergankelijk)

(34b) De medicijnen hebben de klachten sterk verminderd. ('kleiner maken', overgankelijk)

b. werkwoorden van beweging, zoals fietsenrijdenkruipenlopenreizenvliegen

Als de handeling zelf centraal staat, dan worden deze werkwoorden met hebben vervoegd. Als de verandering van plaats of de richting (met het te bereiken doel) centraal staat, dan worden ze met zijn vervoegd.

(35a) We hebben een uurtje in de Ooijpolder gefietst.

(35b) Vanuit Nijmegen zijn we de Ooijpolder in gefietst.

(36a) De baby heeft voor het eerst een stukje gekropen.

(36b) De baby is door de hele kamer heen gekropen.

(37a) Ik heb nog nooit gevlogen.

(37b) Ik ben met Brussels Airlines naar Athene gevlogen.

Zie ook

Gedebuteerd zijn / hebben
Gevolgd (ik ben / heb hem -)
Gewonnen (ik ben / ik heb -)
Hebben / zijn (Hij is / heeft binnen kunnen komen) 
Opgehouden te bestaan (het heeft / is -)
Vergeten (ik ben / heb het -)
Verloren (ik ben / heb het -)

Naslagwerken

Grote Van Dale (2015); Van Dale Hedendaags Nederlands (2006); Prisma Handwoordenboek Nederlands (2014); ANS (1997), p. 73-80 of online via de E-ANS; Schrijfwijzer (2012), p. 247-249; Onze Taal