Inclusief taalgebruik (algemeen)
Inclusief taalgebruik (algemeen)
1. Wat is inclusief taalgebruik?
2. Taalgebruik en gevoelswaarde
2.1 Betekenis en connotatie van woorden
2.2 Connotatie in woordenboeken
2.3 Eufemismen
3. Algemene strategieën voor het benoemen van personen
3.1 De aanduidingen gebruiken waaraan een persoon zelf de voorkeur geeft
3.2 Kenmerken alleen benoemen als die in de context relevant zijn
3.3 Kenmerken benoemen met een bijvoeglijk naamwoord of een nabepaling
3.4 Concrete omschrijvingen en precieze begrippen gebruiken
1. Wat is inclusief taalgebruik?[Top]
Inclusief taalgebruik houdt verband met de maatschappelijke wens om op een bewuste en positieve manier om te gaan met de diversiteit in de samenleving. Veel mensen en organisaties willen daar werk van maken door een gepast taalgebruik. Op die manier kunnen maatschappelijke drempels voor mensen weggenomen of verkleind worden en kunnen mensen onderling meer empathie en begrip voor elkaar tonen.
Inclusief taalgebruik houdt in dat men weloverwogen keuzes maakt om de diversiteit bij mensen te erkennen en niemand uit te sluiten of te marginaliseren door middel van taal. Daarbij gaat specifiek aandacht naar het vermijden van woorden en formuleringen die kwetsend, denigrerend, generaliserend, vooringenomen of discriminerend zijn of als zodanig ervaren kunnen worden.
In de praktijk houdt inclusief taalgebruik ook in dat men bewust nieuwe of andere vormen van taalgebruik leert kennen en inzet als middel om met maatschappelijke gevoeligheden of veranderingen om te gaan. Dat kan onder meer door een sensitieve en empathische houding aan te nemen en in dialoog te gaan met mensen om te weten hoe ze taalgebruik ervaren.
In deel 3 van deze tekst staan vier strategieën die in algemene zin ingezet kunnen worden om mensen te benoemen of over kenmerken van mensen te spreken. Daarbij komen woorden en formuleringen aan bod die verband houden met:
- nationaliteit en land van herkomst;
- etnische en culturele achtergrond;
- sociale achtergrond;
- leeftijd;
- lichamelijke en geestelijke kenmerken, zoals huidskleur en handicap;
- gender en seksuele oriëntatie;
- beroep, functie en rol;
- geloofsovertuiging en andere vormen van levensopvatting.
Op Taaladvies.net staan nog enkele andere algemene teksten over inclusief taalgebruik. Die gaan nader in op strategieën voor woorden en formuleringen die verband houden met gender, huidskleur, etnische en culturele achtergrond.
Taal en gender (algemeen)
Huidskleur van personen benoemen (algemeen)
Etnische of migratieachtergrond van personen benoemen (algemeen)
2. Taalgebruik en gevoelswaarde[Top]
2.1 Betekenis en connotatie van woordenTop
Of iemand een woord of een formulering kwetsend, denigrerend, vooringenomen of discriminerend vindt, is geen vaststaand gegeven. Dat heeft te maken met het onderscheid tussen de betekenis en de gevoelswaarde (of lading) van woorden. De taalkundige term voor betekenis is denotatie. De taalkundige term voor gevoelswaarde is connotatie. Dat woord wordt ook buiten de taalkunde vrij algemeen gebruikt.
De betekenis van een woord is de definitie zoals die te vinden is in een woordenboek. De connotatie van een woord is het gevoel dat iemand met een woord associeert. Een connotatie kan positief, negatief of neutraal zijn en van persoon tot persoon sterk variëren, afhankelijk van iemands ervaringen en achtergrond.
Ook de context bepaalt hoe woorden overkomen bij een lezer of een doelgroep. Bij verstoorde verhoudingen of conflicten bijvoorbeeld kunnen mensen extra gevoelig zijn voor de lading van woorden en de toon van de boodschap. Verkleinwoorden zoals probleempje en foutje kunnen bijvoorbeeld een sterke negatieve lading krijgen omdat ze de indruk kunnen wekken dat de spreker of schrijver daarmee een zaak minimaliseert.
Connotaties kunnen door de tijd heen ook veranderen en kunnen voor een deel cultureel bepaald zijn. Er kunnen bijvoorbeeld verschillen zijn in de beleving van woorden tussen Nederland en België, onder andere door verschillen in het woordgebruik zelf of door een andere politieke, juridische of historische context.
Inclusief formuleren is niet altijd eenvoudig, omdat men vooraf de connotaties niet kan inschatten die een lezer of een doelgroep heeft bij de gebruikte woorden. Ook als iemand helemaal niet de intentie heeft om anderen te kwetsen, kunnen diens woorden toch als negatief ervaren worden. Dat kan bijvoorbeeld omdat iemand zich niet bewust is van sociale of culturele verschillen die spelen. Ook goedbedoelde woorden en formuleringen kunnen dus tot gevoelens van ongemak en irritatie leiden bij de lezer of doelgroep. Het bewustzijn daarvan is vaak een belangrijke stap om tot een inclusiever taalgebruik te komen.
2.2 Connotatie in woordenboekenTop
Er zijn woorden waarvan de negatieve connotatie zo sterk is dat die een vast aspect van het woord geworden is. Zulke woorden kunnen in woordenboeken een label als ‘beledigend’, ‘denigrerend’, ‘scheldwoord’ ‘pejoratief’ of ‘minachtend’ krijgen. Zulke labels zijn een signaal dat het gebruik van die woorden als kwetsend of discriminerend wordt beschouwd en niet (meer) algemeen aanvaard is.
Voorbeelden van zulke woorden zijn zwakzinnige (‘iemand met een verstandelijke beperking’), krankzinnige (‘persoon met een psychische aandoening’), mongool (‘persoon met het syndroom van Down’), gebrekkige (‘persoon met een handicap/beperking’) en homofiel (‘homoseksueel persoon’). Die woorden komen vooral nog voor in contexten waarin mensen duidelijk niet de intentie hebben om inclusief te communiceren, bijvoorbeeld als ze doelbewust anderen willen beledigen of in een negatief daglicht stellen.
Zulke woorden met een sterke negatieve connotatie kunnen ook nog voorkomen als iemand rechtstreeks uit een historische bron citeert of een historische context schetst met woorden die vroeger algemeen gebruikelijk waren. Dat woordgebruik kan dan bedoeld zijn om recht te doen aan die historische context.
Als een citaat tussen aanhalingstekens staat, is het duidelijk dat de auteur de woorden niet voor eigen rekening neemt. Ook als een historisch woord niet letterlijk geciteerd wordt, kan een auteur het tussen aanhalingstekens zetten om aan te geven dat die het niet voor eigen rekening neemt. Bijvoorbeeld:
- Het gerechtelijk systeem in Belgisch-Congo was een concrete uiting van de segregatie in de koloniale samenleving. In de kolonie gold niet hetzelfde recht voor de ‘inboorlingen’ als voor de ‘Europeanen’.
Om onduidelijkheid over het woordgebruik te voorkomen, kan een auteur het historische woord ook in de tekst zelf of in een voetnoot duiden door extra uitleg te geven over de historische context. Daarmee geeft een auteur aan dat de woorden weloverwogen gekozen zijn.
Sommige woorden met een sterke negatieve connotatie worden ook als geuzennaam gebruikt. Geuzennamen zijn scheld- of spotnamen die mensen of groepen bewust gebruiken als een erenaam om zichzelf of mensen uit de eigen groep te benoemen. Een scheld- of spotnaam die op die manier gebruikt wordt, krijgt in die context een positieve connotatie.
Het gebruik van een geuzennaam kan verwarrend zijn, omdat het woord bij gebruik door mensen buiten de groep zijn negatieve connotatie blijft behouden. Als in het Nederlands bijvoorbeeld een zwarte persoon het woord nigga of nigger gebruikt, zal dat doorgaans anders ervaren worden dan wanneer iemand die niet zwart is dat woord gebruikt. Het is daarom nuttig om te weten welke woorden zo’n dubbele lading hebben. Woorden die als geuzennaam ingeburgerd zijn, staan vaak ook zo aangeduid in woordenboeken.
2.3 EufemismenTop
Woorden en formuleringen die mensen gebruiken om woorden met een negatieve connotatie te vermijden, worden traditioneel eufemisme genoemd. Het zijn verzachtende of verbloemende alternatieven die mensen gebruiken voor wat ze als ruw of kwetsend aanvoelen of als een taboe zien. Bijvoorbeeld: gezet/obees in plaats van dik/zwaarlijvig/vetzuchtig, interieurverzorger/ster in plaats van schoonmaakhulp/schoonmaker/schoonmaakster, heengaan/inslapen in plaats van sterven/doodgaan.
Eufemismen kunnen bijdragen aan inclusief taalgebruik, maar ze kunnen een goede communicatie ook in de weg staan. Als een eufemisme vaag is, kan de betekenis onduidelijk worden. Wie bijvoorbeeld het gebruik van het woord interieurverzorger/ster niet kent, kan denken dat het om iets anders gaat dan een schoonmaakhulp.
Als een eufemisme een al te positieve connotatie heeft, kan het als geforceerd of hypocriet ervaren worden. De formulering het personeelsbestand optimaliseren bijvoorbeeld kan als te vaag of te verbloemend ervaren worden als daarmee bedoeld is dat veel werknemers hun baan zullen verliezen.
De gevoelswaarde van eufemismen ligt niet vast. Eufemismen kunnen zelf ook weer een negatieve connotatie krijgen en (steeds weer) vervangen worden door nieuwe eufemismen. Dat proces wordt weleens de eufemismentredmolen genoemd. Voor gebrekkige bijvoorbeeld werden vroeger de eufemismen invalide, mindervalide en andersvalide gebruikt, maar die werden gaandeweg als te negatief ervaren en vervangen door gehandicapte. Gehandicapte is een woord dat ondertussen ook weer minder passend gevonden wordt. Nu gaat doorgaans de voorkeur naar een formulering als persoon met een handicap/beperking.
In welke contexten eufemismen nuttig of wenselijk zijn, is sterk afhankelijk van de inschatting over wat tegen of over wie gezegd kan worden. De behoefte om bepaalde woorden te vermijden, is heel persoonlijk. Het is moeilijk om daarvoor algemene adviezen te formuleren.
3. Algemene strategieën voor het benoemen van personen[Top]
De onderstaande strategieën kunnen in algemene zin ingezet worden om mensen te benoemen of over kenmerken van mensen te spreken. Die kunnen ervoor zorgen dat mensen zich individueel of als groep kunnen herkennen in een formulering en zich gerespecteerd en niet buitengesloten voelen.
Deze tekst is een algemene handreiking. De onderstaande strategieën leiden niet automatisch tot één aan te bevelen benaming voor een persoon of een groep van personen met een specifiek kenmerk. Vaak zijn er verschillende benamingen verdedigbaar. In een specifieke context moet men afwegen welke benaming het meest geschikt is.
3.1 De aanduidingen gebruiken waaraan een persoon zelf de voorkeur geeftTop
Het verdient aanbeveling om de aanduidingen van een persoon zelf te gebruiken. Mensen kunnen er uitdrukkelijk voor kiezen om een kenmerk van zichzelf al dan niet uit te drukken of om een kenmerk op een bepaalde manier uit te drukken. Zo kan iemand met kanker een voorkeur hebben om zich niet kankerpatiënt maar bijvoorbeeld persoon met kanker of persoon met een (kanker)diagnose te noemen. Een persoon die een rolstoel gebruikt, kan bijvoorbeeld de voorkeur geven aan aanduidingen die het kenmerk onbenoemd laten of vaag houden zoals persoon met een handicap, maar een persoon kan er ook bewust voor kiezen om zich heel specifiek rolstoelgebruiker te noemen.
Publieke figuren geven zelf vaak aan hoe ze in het publieke domein benoemd willen worden, bijvoorbeeld voor aanduidingen van iemands nationaliteit en/of land van herkomst, of voor een beroep, functie of rol. Daarbij zijn er vaak verschillende mogelijkheden, bijvoorbeeld als iemand verschillende nationaliteiten heeft.
- een Turks-Nederlandse acteur / een Nederlands-Turkse acteur / een Nederlandse acteur / een Turkse acteur
Deze aanbeveling houdt ook verband met de verschillende mogelijkheden die er zijn om uitdrukking te geven aan het gender , bijvoorbeeld in beroeps-, functie- en rolbenamingen (presentator, presentatrice), en bij het gebruik van voornaamwoorden (zij, hij, die, hen …) en aanspreekvormen (mevrouw, meneer, voornaam …).
Huidskleur van personen benoemen (algemeen)
Etnische of migratieachtergrond van personen benoemen (algemeen)
Taal en gender: verwijswoorden voor vrouwen, mannen en non-binaire personen (algemeen)
Taal en gender: beroeps-, functie- en rolbenamingen (algemeen)
Taal en gender: brieven en e-mails (algemeen)
Veel mensen hebben de gewoonte om zichzelf altijd op dezelfde manier te benoemen, bijvoorbeeld bij de vermelding van hun beroep of functie. Zo zijn er publieke figuren die daarover voorkeuren uitspreken, bijvoorbeeld of ze het wenselijk achten dat een specifiek kenmerk genoemd wordt, op welke manier een kenmerk genoemd wordt, of hoe naar hun persoon verwezen wordt. Bijvoorbeeld:
- De Nederlandse schrijver Lucas Rijneveld liet in 2022 weten de mannelijke voornaamwoorden te verkiezen voor verwijzing naar zijn persoon.
- De Belgische stand-upcomedian William Boeva liet in 2022 weten zichzelf bewust een persoon met een beperking te noemen, omdat hij op die manier een rolmodel wil zijn voor andere mensen met beperkingen.
Als er geen informatie over bekend is, is het aan te bevelen om – wanneer dat kan – aan de persoon zelf te vragen welke woorden de voorkeur hebben.
Ook als meerdere personen een specifiek kenmerk delen, is het nuttig om te weten hoe een specifieke groep in de samenleving uitdrukking geeft of wil geven aan dat kenmerk. Dat kan door te kijken naar de communicatie van organisaties die mensen uit een bepaalde groep samenbrengen of vertegenwoordigen. Belangenorganisaties zetten geregeld acties en campagnes op om de mensen uit een bepaalde doelgroep een stem te geven of hun rechten te verdedigen.
In de praktijk leven er vaak verschillende opvattingen naast elkaar over welke benaming het meest geschikt is om een bepaalde groep van mensen te benoemen. Ook binnen één groep van mensen kan daar heel verschillend over gedacht worden.
Opvattingen over welke benamingen als ongepast of kwetsend worden ervaren, kunnen ook snel veranderen. Het is daarom nuttig om te kijken welke benaming het meest gepropageerd wordt of het meest voorkomt, bijvoorbeeld op de websites van verschillende organisaties. Bij redacties van kranten en omroepen bestaan ook redactionele afspraken over specifieke benamingen voor mensen en groepen van mensen.
Bij onduidelijkheid kan het nuttig zijn om over de benamingen in gesprek te gaan met een of meer organisaties, bijvoorbeeld als een bepaalde groepsaanduiding centraal staat in een tekst of steeds terugkeert in de communicatie. Zo houdt men de vinger aan de pols bij de doelgroepen zelf.
Soms heeft het ook een toegevoegde waarde om in een tekst uit te leggen waarom men een woord of formulering gebruikt. Dat geeft aan dat de keuze weloverwogen is gemaakt.
3.2 Kenmerken alleen benoemen als die in de context relevant zijnTop
Het verdient aanbeveling om goed af te wegen hoe relevant het is om bepaalde kenmerken te noemen. Als specifieke kenmerken uitgedrukt worden, krijgen die extra aandacht in de boodschap, terwijl andere kenmerken van die persoon buiten beeld blijven. Het genoemde kenmerk kan een sterke invloed hebben op het beeld dat van die persoon gevormd wordt. Daardoor is het risico op vooroordelen groter. Dat geldt bijvoorbeeld voor woorden die verband houden met iemands herkomst, leeftijd, religie, gender, seksuele oriëntatie of huidskleur.
Kenmerken die mensen – bewust of onbewust – als norm of referentiepunt nemen voor wat ze ‘normaal’ of ‘gewoon’ vinden, blijven vaak onbenoemd. Dat zijn kenmerken die binnen de context, cultuur of gemeenschap traditioneel als kenmerken van de meerderheid of van een grote of dominante groep beschouwd worden. Voorbeelden van kenmerken die vaak als norm of referentiepunt gelden, zijn: mannelijk, heteroseksueel, cisgender, Nederlands (in de context van Nederland), Belgisch of Vlaams (in de context van België of Vlaanderen), wit, West-Europees, getrouwd of samenwonend, hoogopgeleid.
Als personen expliciet benoemd worden met kenmerken die niet in die categorieën vallen, kan dat de indruk wekken dat het genoemde kenmerk van de norm ‘afwijkt’. Die expliciete aanduidingen kunnen dan makkelijker als negatief of problematisch ervaren worden tegenover de kenmerken die impliciet blijven.
Zo kan bijvoorbeeld het vermelden van een etnische of culturele achtergrond het wij-zij-denken en stigmatisering in de hand werken. Als een journalist over een crimineel feit bericht en daarbij expliciet vermeldt dat de dader iemand met een donkere huidskleur is, kan de indruk gewekt of versterkt worden dat er een link is tussen de huidskleur en het criminele gedrag. Het risico is dan groter dat de gebeurtenis vanuit vooringenomen standpunten over mensen en hun gedrag geïnterpreteerd wordt. Als een dader een witte huidskleur heeft, kan dat kenmerk evengoed vermeld worden, maar in de praktijk wordt dat meestal niet gedaan.
Stereotypering door kenmerken te benoemen die vanuit het perspectief van de meerderheid of dominante groep bewust of onbewust als ‘anders’, ‘afwijkend’ of ‘bijzonder’ ervaren worden, wordt taalkundige of linguïstische bias genoemd. Als zo’n kenmerk verder niet relevant is, is het beter om het niet te benoemen. Op die manier kan voorkomen worden dat een kenmerk stereotiepe voorstellingen die in de samenleving bestaan, bevestigt.
Voorbeelden
In de onderstaande tabel staan links voorbeelden van aanduidingen met een kenmerk en aanduidingen waarin dat kenmerk niet genoemd wordt. Deze tabel is louter bedoeld om het onderscheid duidelijk te maken. De aanduidingen in de linkerkolom hoeven niet allemaal automatisch als problematisch gezien te worden. De context bepaalt of een kenmerk relevant is om genoemd te worden. De alternatieven tussen haakjes geven aan dat er soms ook nog andere keuzes gemaakt kunnen worden.
| Aanduiding met kenmerk | Aanduiding zonder kenmerk |
| alleenstaande moeder | moeder (of vrouw) |
| blinde klant | klant |
| gelovige wetenschapper | wetenschapper |
| kind van gescheiden ouders | kind |
| Marokkaanse collega | collega |
| non-binaire minister | minister |
| Syrische vrouw | vrouw |
| trans man | man |
| vrouwelijke dokter | dokter (of arts) |
| vrouwelijke piloot | piloot (of pilote) |
| vrouwelijke CEO met zes kinderen | CEO |
| weeskind | kind |
| zorgende vader | vader (of man) |
| zwarte dichteres | dichteres (of dichter) |
Ook kenmerken die voor interpretatie vatbaar zijn, zoals de bijvoeglijke naamwoorden oud en jong, kunnen stereotiepe voorstellingen bevestigen omdat ze vaag zijn. Ook bij zulke kenmerken is het beter om ze niet te benoemen als ze verder niet relevant zijn.
In bepaalde contexten kan het juist wél belangrijk zijn om een kenmerk te benoemen, bijvoorbeeld in verband met culturele of etnische achtergrond in een wetenschappelijk rapport over mensen met verschillende migratieachtergronden. Als een kenmerk toch relevant is, is het aan te bevelen om het zo precies mogelijk te geven. Bijvoeglijke naamwoorden als Afrikaans en Aziatisch zijn bijvoorbeeld zo ruim dat ze in veel gevallen inhoudelijk weinig toevoegen. Preciezere aanduidingen geven minder aanleiding tot foute of stereotiepe interpretaties van de boodschap (zie ook 3.4).
Voorbeelden
In de onderstaande tabel staan in de linkerkolom voorbeelden van aanduidingen die vager zijn. In de rechterkolom staan aanduidingen die preciezer en concreter zijn. Deze tabel is louter bedoeld om het onderscheid duidelijk te maken. De aanduidingen in de linkerkolom hoeven niet allemaal automatisch als problematisch gezien te worden. De context bepaalt of een kenmerk te vaag of te generaliserend is om genoemd te worden.
| Vaag | Preciezer, concreter |
| Afrikaanse kunstenares | bijvoorbeeld Senegalese of Egyptische kunstenares |
| Aziatische ondernemer | bijvoorbeeld Chinese of Vietnamese ondernemer |
| jonge ondernemer | bijvoorbeeld 18-jarige ondernemer |
| oude vrouw | bijvoorbeeld 82-jarige vrouw |
3.3 Kenmerken benoemen met een bijvoeglijk naamwoord of een nabepalingTop
Als het zinvol of wenselijk is om mensen te benoemen door een specifiek kenmerk te geven, kan dat op verschillende manieren. Het kenmerk kan uitgedrukt worden met:
- een zelfstandig naamwoord, bijvoorbeeld een blinde, een gehandicapte;
- een bijvoeglijk naamwoord, bijvoorbeeld een blinde persoon, een gehandicapte persoon;
- een nabepaling, dat is een bepaling die volgt op een zelfstandig naamwoord, bijvoorbeeld persoon die blind is, iemand die gehandicapt is/die een handicap heeft/met een handicap.
Het nadeel van zelfstandige naamwoorden, bijvoorbeeld een blinde of een gehandicapte, is dat ze personen lijken te reduceren tot één kenmerk, namelijk blind of gehandicapt zijn.
Wie dat wil vermijden, kan woorden als blind(e) en gehandicapt(e) als bijvoeglijk naamwoord gebruiken om het kenmerk van de persoon aan te duiden, bijvoorbeeld blinde persoon en gehandicapte mensen. Zo wordt duidelijk dat het kenmerk maar een van de (vele) kenmerken is van de persoon over wie het gaat.
Ook omschrijvingen met nabepalingen bij een zelfstandig naamwoord zijn bruikbaar. Dat kan in de vorm van een bijvoeglijke bijzin, bijvoorbeeld persoon die blind is of een nabepaling met een voorzetselgroep, bijvoorbeeld personen/mensen met een handicap. De algemenere aanduiding staat daarbij vooraan, omdat het kenmerk slechts als een deel van de hele persoon − naast vele andere kenmerken − beschouwd wordt. Het nadeel van omschrijvingen met nabepalingen is dat ze meestal langer zijn en daardoor een tekst omslachtiger maken, vooral als de aanduiding vaak voorkomt.
Het kenmerk voorop zetten is een toepassing van het identiteit-eerst-principe (of identity-first language). Het kenmerk staat vooraan en wordt daardoor als een belangrijk onderdeel van de identiteit beschouwd. Als het kenmerk in een nabepaling staat, wordt het persoon-eerst-principe (of people-first language) toegepast. De algemenere aanduiding staat vooraan en het kenmerk wordt slechts als een deel van de hele persoon gezien.
Er is geen algemene aanbeveling te geven over de keuze tussen beide principes. Het verschilt van geval tot geval wat de voorkeur heeft. Er spelen vaak persoonlijke voorkeuren, ook bij de mensen uit bepaalde groepen of bij hun vertegenwoordigers. Organisaties leggen die voorkeuren soms vast in hun redactionele afspraken.
Voorbeelden
In de onderstaande tabel staan in de linkerkolom voorbeelden van aanduidingen met een zelfstandig naamwoord. In de rechterkolom staan aanduidingen met een bijvoeglijk naamwoord of een nabepaling. Deze tabel is vooral bedoeld om het onderscheid duidelijk te maken. De aanduidingen in de linkerkolom hoeven niet allemaal automatisch als problematisch gezien te worden. Zo kunnen mensen er zelf nog altijd bewust voor kiezen om het kenmerk met een zelfstandig naamwoord uit te drukken, bijvoorbeeld omdat ze vinden dat daarmee hun eigen identiteit het best tot uitdrukking komt. De alternatieven in de rechterkolom worden doorgaans wel als inclusiever taalgebruik beschouwd.
| Met zelfstandig naamwoord | Met bijvoeglijk naamwoord of nabepaling |
| een ADHD’er |
|
| een allochtoon/buitenlander/migrant |
|
| een blinde |
|
| een dove |
|
| een gehandicapte |
|
| een homoseksueel |
|
| een kankerpatiënt |
|
| een lesbienne |
|
| een verslaafde |
|
| een witte/zwarte |
|
Transgenderpersoon / transgender persoon, transpersoon / trans persoon
3.4 Concrete omschrijvingen en precieze begrippen gebruikenTop
Als het relevant is om een bepaald kenmerk te vermelden, verdient het aanbeveling om het zo concreet mogelijk te omschrijven. Vage omschrijvingen als mensen met een andere seksuele geaardheid en jonge mensen zal niet iedereen op dezelfde manier invullen en begrijpen. Ze kunnen daardoor bij mensen de vraag oproepen of ze zich aangesproken moeten voelen.
Omschrijvingen met andere hebben ook een sterke taalkundige bias: wat ‘anders’ is, wijkt af van de norm. Het proces waarbij iemand zichzelf bewust of onbewust als norm neemt en mensen als anders dan zichzelf typeert, wordt met het Engelse begrip othering aangeduid. Zulke typeringen zijn niet aan te bevelen omdat ze het idee bevestigen dat mensen ‘afwijken’ van een norm.
Voorbeelden
In de onderstaande tabel staan in de linkerkolom voorbeelden van aanduidingen die vaag zijn. In de rechterkolom staan aanduidingen die preciezer en concreter zijn. De alternatieven in de rechterkolom worden doorgaans als inclusiever taalgebruik beschouwd.
| Vaag | Preciezer, concreter |
| jonge mensen | tieners, jongvolwassenen, 12-tot-25-jarigen, 20-tot-30-jarigen |
| mensen met een andere huidskleur | mensen met een zwarte/bruine huidskleur |
| mensen met een andere seksuele geaardheid | homoseksuele mensen, gay mensen, mensen die niet heteroseksueel zijn |
| oude mensen / bejaarde mensen | gepensioneerde mensen / 65-plussers / 70-plussers / 80-plussers |
Huidskleur van personen benoemen (algemeen)
Er zijn ook woorden die als koepelbegrip worden gebruikt. Een koepelbegrip is een verzamelwoord voor een aantal specifiekere begrippen, bijvoorbeeld meubel als verzamelwoord voor tafels, stoelen, kasten enzovoort. Verzamelnamen zijn handig, maar ze hebben niet altijd een scherp afgebakende betekenis.
Bij het gebruik van koepelbegrippen voor groepen van mensen is het niet altijd duidelijk om welke mensen of subgroepen van mensen het precies gaat. Dat geldt onder andere voor begrippen in verband met nationaliteit en land van herkomst, zoals vluchteling, migrant, immigrant, illegaal, mensen zonder papieren, sans-papiers, buitenlander, allochtoon, nieuwkomer, nieuwe Nederlander, nieuwe Belg, nieuwe Vlaming. Mensen die het bijvoorbeeld over allochtonen of migranten hebben, bedoelen vaak een specifieke groep van allochtonen, bijvoorbeeld niet-westerse of niet-Europese migranten, zonder dat ze dat expliciet maken.
Het is aan te bevelen om bij het gebruik van een koepelbegrip goed af te wegen of het precies of concreet genoeg is in de context waarin gecommuniceerd wordt. Het is ook belangrijk om af te wegen of het van toepassing is op alle mensen die men wil benoemen. Als niet alle leden van een groep onder het begrip vallen of ermee geassocieerd willen worden, is het beter om het onbenoemd te laten.
Soms kan het nuttig zijn om aan te geven om welke mensen het in juridische zin gaat en in welke context, met begrippen als personen zonder wettige verblijfsdocumenten, erkende vluchtelingen, niet-erkende vluchtelingen en statushouders. Zulke aanduidingen kunnen als nadeel hebben dat ze vrij lang of technisch zijn.
Een definitie kan nuttig zijn om aan te geven wat een bepaald begrip precies inhoudt, bijvoorbeeld in het begin van een tekst. Dat kan verwarring voorkomen omdat juridische begrippen bijvoorbeeld van land tot land kunnen verschillen of een andere betekenis kunnen hebben dan in het dagelijkse taalgebruik.
Etnische of migratieachtergrond van personen benoemen (algemeen)
Koepelbegrippen voor groepen van mensen hoeven niet altijd vermeden te worden. Sommige begrippen kunnen juist een inclusieve betekenis hebben. Ze hebben dan als doel om niemand uit te sluiten. Zo worden het bijvoeglijk naamwoord en het zelfstandig naamwoord queer heel bewust als verzamelnaam gebruikt voor al wie niet heteroseksueel en/of cisgender is, en/of voor mensen die zichzelf geen vaststaande genderidentiteit of seksuele geaardheid willen toekennen. Met het woord queer kan voorkomen worden dat mensen in strikte hokjes gestopt worden of uitgesloten worden doordat niet alle subcategorieën genoemd worden.
Zie ook
Taal en gender (algemeen)
Huidskleur van personen benoemen (algemeen)
Etnische of migratieachtergrond van personen benoemen (algemeen)
Kuisvrouw / poetsvrouw / werkster / schoonmaakster / schoonmaker / poetshulp / schoonmaakhulp
Bronnen
- Beukeboom, C. J., & Burgers, C. F. (2017). Linguistic bias. In H. Giles, & J. Harwood (Eds.), Oxford Encyclopedia of Communication (Living ed., pp. 1-19). (Oxford Research Encyclopedias). Oxford University Press. Geraadpleegd via https://doi.org/10.1093/acrefore/9780190228613.013.439.
- Buijsman, R., Begeer, S., & Scheeren, A. M. (2022). ‘Autistic person’ or ‘person with autism’? Person-first language preference in Dutch adults with autism and parents. Autism, 27(3), 788-795. Geraadpleegd via https://doi.org/10.1177/13623613221117914.
- Code Diversiteit & Inclusie. Waarden voor een Nieuwe Taal. Geraadpleegd via https://codedi.nl/wp-ontent/uploads/2021/04/WAARDEN_VOOR_EEN_NIEUWE_TAAL.pdf.
- De Standaard. Het Gevoelig Lexicon. Geraadpleegd via https://www.standaard.be/gevoelig-lexicon.
- Dierckx, A. & Wullaert, R. Woorden in beweging. Spreken en schrijven over migratie en superdiversiteit. Brussel: ORBIT.
- Federale Overheidsdienst Sociale Zekerheid (2023). Leidraad Gemeenschappelijk & Inclusief taalgebruik binnen DG HAN. Geraadpleegd via https://handicap.belgium.be/sites/default/files/docs/nl/gids-taalgebruik-dghan.pdf.
- Mounir, S. (2023). Je mag ook niets meer zeggen. Een nieuwe taal voor een nieuwe tijd. Amsterdam: Nieuw Amsterdam.
- Nationaal Museum van Wereldculturen. Woorden doen ertoe. Een incomplete gids voor woordkeuze binnen de culturele sector. Geraadpleegd via https://amsterdam.wereldmuseum.nl/nl/over-wereldmuseum-amsterdam/onderzoek/words-matter-publicatie.
- Sanders, E. (2023). Het n-woord. De geschiedenis van een beladen begrip. Amsterdam: Prometheus.
- Unia. Woordenlijst inclusieve communicatie. Geraadpleegd via https://www.unia.be/nl/sensibilisering-en-preventie/tools/inclusieve-communicatie-gids-en-tips/inclusieve-communicatie-3-belangrijke-tips/het-lexicon-van-inclusieve-communicatie.
- VRT. Woordenlijst Inclusief Taalgebruik. Geraadpleegd via https://diversewoordenlijstvrt.wordpress.com.
- Waszink, V. (2022). Dat mag je ook (al niet meer) zeggen. Den Haag: Genootschap Onze Taal.
- Women Inc (2024). De incomplete stijlgids. Geraadpleegd via https://www.womeninc.nl/wp-content/uploads/2025/06/wi-stijlgids-2025.pdf.
