Welk getal krijgt de persoonsvorm als het onderwerp een breukgetal is, zoals in: Twee derde van de studenten bleken/bleek de leerstof niet te beheersen?
Als het onderwerp van de zin een breukgetal is, dan staat de persoonsvorm gewoonlijk in het enkelvoud: Twee derde van de studenten bleek de leerstof niet te beheersen.
Ligt de nadruk op de afzonderlijke (gelijke) delen van de breuk, dan krijgt de noemer een meervouds-n en komt de persoonsvorm in het meervoud te staan, bijvoorbeeld in: Twee vierden van de taart gingen naar de jarige.
De persoonsvorm van een zin congrueert normaal gesproken in getal en persoon met het onderwerp van de zin. Bestaat het onderwerp uit een woordgroep, dan komt de persoonsvorm overeen met de kern (= het belangrijkste deel) van die groep. In deze zin is twee derde de kern van het onderwerp. Omdat de kern in het enkelvoud staat, krijgt ook de persoonsvorm het enkelvoud: Twee derde van de studenten bleek de leerstof niet te beheersen.
2½ maand zijn / is verstreken
Anderhalf jaar (in de / het afgelopen -)
Jaar / jaren (enkelvoud of meervoud na telwoord?)
Een miljoen mensen keek / keken naar de wedstrijd
Negen op tien mensen / negen op de tien mensen
Zo'n zeven miljoen Japanners beoefent / beoefenen kendo
ANS (1997), p. 446 of online via de E-ANS; Handboek Verzorgd Nederlands (1996), p. 79