Officiële spelling Nederlandse Taalunie

Ondervragen: ondervraagde / ondervroeg

Vraag

Wat is correct: De onderzoeker ondervraagde 200 proefpersonen of De onderzoeker ondervroeg 200 proefpersonen?

Antwoord

De verledentijdsvorm ondervroeg is in elk geval standaardtaal. Het is onduidelijk of de vorm ondervraagde tot de standaardtaal gerekend kan worden.

Toelichting

Vragen heeft sterke verledentijdsvormen: vroeg en vroegen. Het voltooid deelwoord van vragen is gevraagd.

(1)  Stefanie vroeg me gisteren of ik op haar kinderen wilde passen.

Ook samengestelde werkwoorden en afleidingen met vragen (aanvragen, zich afvragen, bevragen, doorvragen, meevragen, ondervragen, opvragen) hebben een sterke verledentijdsvorm: aanvroeg(en), zich afvroeg(en), bevroeg(en), ondervroeg(en) enzovoort. Deze vormen zijn in elk geval standaardtaal.

(2) De bewoners vroegen zich af hoe de brand precies was ontstaan.

(3) Het is vreemd dat ze hem niet meevroegen.

(4) Heel wat vluchtelingen vroegen asiel aan.

(5a) Sensoa, het Vlaams expertisecentrum voor seksuele gezondheid, bevroeg 505 mensen met hiv.

(6a) De politie pakte 17 relschoppers op en ondervroeg hen meteen.   

(7a) Om zeker te zijn, vroegen de speurders alle gegevens van de verdachte op.

In de praktijk komen bij sommige van deze werkwoorden, bijvoorbeeld bij bevragen, opvragen en ondervragen ook weleens de zwakke verledentijdsvormen voor: bevraagde, ondervraagde, opvraagde. Toch is er een niet te verwaarlozen groep taalgebruikers die die vormen afkeurt. Het is daarom niet duidelijk of ze tot de standaardtaal gerekend kunnen worden.

(5b) Sensoa, het Vlaams expertisecentrum voor seksuele gezondheid, bevraagde 505 mensen met hiv. (status onduidelijk)

(6b) De politie pakte 17 relschoppers op en ondervraagde hen meteen. (status onduidelijk)

(7b) Om zeker te zijn, vraagden de speurders alle gegevens van de verdachte op. (status onduidelijk)

Zie ook

Werkwoorden met een zwakke en een sterke vervoeging (algemeen)

Ervaren: ervaarde / ervoer
Klagen: kloeg / klaagde
Meten: meette / mat
Scheppen: schepte / schiep
Schrok af / schrikte af
Varen: vaarde / voer
Verrekken: verrokken / verrekt
Willen: wilde / wou, wilden / wou(d)en
Wuiven: woof / wuifde
Zegden / zeiden
Zweren: zwoor / zwoer / zweerde

Naslagwerken

Grote Van Dale (2015); Van Dale Hedendaags Nederlands (2008); Woordenlijst (2015); Prisma Handwoordenboek Nederlands (2014)