Kun je zeggen dat griep gepaard gaat aan hoge koorts?
Nee. Correct is: Griep gaat gepaard met hoge koorts.
Bij gepaard gaan hoort het voorzetsel met. De verbinding betekent: 'verbonden zijn aan, vergezeld zijn van, noodzakelijk als begeleidend verschijnsel of gevolg hebben'. De met die fungeert in een voornaamwoordelijk bijwoord, wordt -mee. De volgende voorbeelden illustreren dat:
(1) Een moord die gepaard ging met seksuele lust.
(2) De brand en het daarmee gepaard gaande verlies van zijn bibliotheek.
Alleen Verschueren en de Taalwijzer constateren zonder verder commentaar het gebruik van gepaard gaan aan.
De neiging om bij gepaard gaan het voorzetsel aan te gebruiken kan het gevolg zijn van een verwarring met de uitdrukking gekoppeld zijn aan, wat ongeveer hetzelfde betekent. Het meest waarschijnlijk is dat een verwarring met de uitdrukking paren aan in het spel is, die 'combineren, verenigen' of ook 'koppelen, huwen' betekent. Paren aan komt voor in de volgende voorbeelden:
(3) Verstand paren aan gevoel.
(4) Hij heeft haar gepaard aan een oude man.
Gebaat mee / bij
Bezwijken aan / onder
Vergeleken bij / met
Vergelijken bij / met
Grote Van Dale (2005); Van Dale Hedendaags Nederlands (1996); Grote Koenen (1986); Kramers (1996); Voorzetselwijzer (1997); Taal en tekst (1988)
| gepaard | |
| Verschueren (1996) | 2 Metf. [= metaforisch] samen: gepaard gaan met (aan) iets |
| Prisma Stijlboek (1993), p. 110 | [gepaard aan] contaminatie van gepaard (gaan) met en gekoppeld (zijn) aan. |
| Taalwijzer (1998), p. 137 | De wb. [= woordenboeken] (behalve Verschueren) vermelden alleen gepaard gaan (zijn) met. Toch is ook gepaard gaan heel gewoon, al noemt Apeldoorn het een contaminatie. |