Moet vanaf in de zin Vanaf 1 augustus 1996 gelden er in Nederland nieuwe spellingregels vervangen worden door van?
Nee. Vanaf 1 augustus is correct. Ook mogelijk is: per 1 augustus, sinds 1 augustus (alleen met betrekking tot het verleden) of met ingang van 1 augustus.
Over het bestaansrecht van vanaf is in de jaren veertig menige discussie gevoerd. Schoolkinderen leerden toen dat vanaf een woord is dat strijdig is met het Nederlandse taaleigen. Zij leerden af te allen tijde te schrappen (van 1 augustus), of vanaf te splitsen (van 1 augustus af).
Tegenwoordig is vanaf een zeer gangbaar voorzetsel, dat in elk naslagwerk genoemd wordt. Vanaf in vanaf 1 augustus betekent: 'te beginnen met (bij)'; 'van de genoemde tijd af te rekenen'. Dat betekent dat de bepaling die na vanaf komt (in dit geval: 1 augustus) bij de reeks (in dit geval: de dagen) moet worden gerekend die er logischerwijs op volgt.
Duidelijker wordt een en ander in een zin als: Vanaf de leeftijd van achttien jaar is men volwassen. Niemand zou hieruit concluderen dat je pas na je achttiende, dus op je negentiende, volwassen zou zijn. Vanaf is niet noodzakelijkerwijs afgebakend in de toekomst, in tegenstelling tot van... tot...
Charivarius (1940). Is dat goed Nederlands? Amsterdam: De Spieghel. (p. 26)
WNT XVIII, kol. 1958; Prisma Stijlboek (1993) ; ANS (1997) , p. 522 of online via de E-ANS
|
van |
vanaf |
|
| Grote Van Dale (2005) |
voorz. (...) 8 (ter aanduiding van een punt in de tijd, waarop een werking of toestand begint) sedert, sinds, vanaf (2): van die dag af, met die dag te beginnen; van den beginne, van den beginne af, sinds het begin; van tevoren, bij voorbaat, vooraf; (Belg.N., niet alg.) van over, sinds: van over enige dagen; van - tot -: van de vroege morgen tot de late avond; (Belg.N., niet alg.) (in verb. met bw.) van gisteren, sinds gisteren: hij is van gisteren naar Brussel; van gisteren, van toen af, vanaf gisteren, vanaf dat ogenblik; (Belg.N., niet alg.) van als, van dat, van het ogenblik dat, zodra; (Belg.N., niet alg.) van sinds, sinds, vanaf. |
voorz. (waarnaast ook het afstandscompositum 'van...af') (...) 2 ter aanduiding van een tijdstip; - (in de toekomst) te beginnen met -: vanaf 1 januari 1999 zal de wet van kracht worden; (in het verleden) sedert: vanaf het jaar 1850 tot aan zijn dood |
| Van Dale Hedendaags Nederlands (2006) |
van² 0.4 |
0.2 te beginnen met => sedert (...) vanaf2 1 januari zal de wet van kracht worden. |
| Van Dale Handwoordenboek (1996) |
idem |
idem |
| Grote Koenen (1986) |
duidt aan: (...) 3. het beginnen bij: ~ september tot december; (versterkt): ~ die dag af; ~ de ene op de andere dag geen huis meer hebben |
van de te noemen plaats of tijd af te rekenen |
| Wolters-Koenen (1996) |
duidt aan: (...) 3. het beginnen bij: ~ september tot december; (versterkt): ~ die dag af; ~ de ene op de andere dag geen huis meer hebben; ~ het station vertrekken |
van de te noemen plaats of tijd af te rekenen: ~ mijn tiende jaar |
| Spectrum woordenboek (1994) |
/ een verwijdering, scheiding aanduidend / ; vanaf: van huis; vrij van iets; van nu af (aan); van vader op zoon; van tijd tot tijd |
te beginnen bij, van... af |
| Kramers (1996) |
5. te beginnen bij: van de eerste tot de laatste; ZN: van bij of in vanaf, sedert; ZN: van na, sinds vanaf, sedert; ZN: van gisteren vanaf gisteren; ZN: van als vanaf het ogenblik dat, zodra |
1. te beginnen bij: vanaf 1 januari; 2. van, van...af: vanaf Assen is het nog maar 15 kilometer |
| Verschueren (1996) |
2. uitgangspunt a. te beginnen met: - Pasen tot Pinksteren; fietsen - ƒ 50 af; - huis tot huis. b. sinds, sedert: - die dag (af); - nu af (aan); - toen af (aan) |
2. te beginnen met: - maandag |