Kunnen de woorden moraal en moreel door elkaar worden gebruikt?
Nee. Hoewel deze woorden in een bepaald jargon wel worden verward, raden wij aan het onderscheid tussen moraal ('zedenleer') en moreel ('zedelijke kracht', 'zelfvertrouwen', 'wil om door te zetten') in acht te nemen.
Moraal is in de zestiende eeuw via het Frans (morale) ontleend aan het Latijn (moralis). Aanvankelijk werd het in het Nederlands als zelfstandig naamwoord ('zedenleer', 'zedenles' e.d.) en als bijvoeglijk naamwoord ('zedelijk') gebruikt. Naast moraal is later de vorm moreel, met een gewijzigd achtervoegsel, in gebruik gekomen. Deze vorm heeft het bijvoeglijk naamwoord moraal geheel verdrongen (morele verplichting) en ook het zelfstandig naamwoord in de betekenis 'zedelijke kracht'.
In het jargon van sportverslaggevers wordt moraal wel gebruikt in dezelfde betekenis als moreel. In de woordenboeken wordt dit gebruik niet, in de taaladviesliteratuur wel afgekeurd. Aangezien moraal in deze betekenis niet algemeen is en alleen in een beperkte groepstaal voorkomt, raden wij aan de betekenissen uit elkaar te houden.
|
moraal |
moreel |
|
| Grote Van Dale (2005) |
1 de heersende zeden en gebruiken (...) 2 zedelijke waardering van specifiek menselijke handelingen, syn. zedenleer, ethiek (...) 3 vaste zedelijke beginselen, iemands voorstelling van goed en slecht (...) 4 zedenles (...) 5 [betekenisontlening van Fr. moral] (sportt.) moreel |
iemands zedelijke krachten, zijn dispositie |
| Grote Koenen (1986) |
1 a) zedenleer, de leer vd plichten en deugden; b) moraaltheologie (...) 2 zedenles, zedenkundige redenering; strekking (...) 3 zedelijk levensbeginsel (...) (sp) zelfvertrouwen, lust en moed om door te zetten: als ik zie hoeveel anderen er allemaal af moeten, daar krijg ik ~ van als ik zo hard bergop rijd |
iems zedelijke krachten als een geheel beschouwd: het ~ vd troepen gevoel van innerlijke waarde of kracht, hun geestelijke weerbaarheid |
| Verschueren (1996) |
A. Eig. zedenleer (...) B. Metn. 1. zedelijke beginselen (...) 2. zedenles 3. Sport. moreel zedelijke kracht: - hebben, mentaal in vorm zijn. |
gevoel van kracht, zelfvertrouwen, geestkracht, moed, fut, werkkracht of strijdlust: het - van de troepen. |
|
Prisma Stijlboek (1993) , p. 177 |
zedenles, wijze les: De moraal van het verhaal is, dat; dient bij voorkeur met zij te worden aangeduid |
zedelijke kracht: Het moreel van de soldaten was niet al te best (...) Opm.: Let op het verschillend taalkundig geslacht: de moraal, het moreel. |
|
ABN-gids (1996) , p. 239 |
de moraal van de troep [is onjuist; het moet zijn:], het moreel; de moraal 'zedenles', 'zedenleer' |
|
|
de - was goed, het moreel, de stemming was goed. - WEL: als wielerterm en zedenleer, zedenles |
||
|
Correct Taalgebruik (1997) , p. 132 |
Moraal heeft betrekking op de zedelijke normen, de zedenleer. Ook een verhaal, een fabel, een gebeurtenis kunnen een moraal, d.i. een zedenles inhouden. |
Voor de geestesgesteldheid, de moed die iemand bezielt of die ontbreekt, gebruiken we het woord moreel. Onder invloed van het Fr. wordt dit onderscheid soms over het hoofd gezien. |
|
Taalwijzer (1998) , p. 220 |
1) Niet te verwarren met moreel; de moraal is de zedenleer, de zedelijke beginselen of zedenles. (...) 2) Volgens het GWHN en Verschueren kan moraal ook betekenen: instelling, karakter, moreel, zedelijke kracht. |
Niet te verwarren met moraal; het moreel is de zedelijke kracht, de zedelijke moed. |