Officiële spelling Nederlandse Taalunie

Beslissen te / besluiten te

Vraag

Is de zin Ze besliste de pillen toch maar niet te nemen correct, of kan het alleen maar Ze besloot de pillen toch maar niet te nemen zijn?

Antwoord

Beide zinnen zijn correct. Standaardtaal in het hele taalgebied is Ze besloot de pillen toch maar niet te nemen. De zin Ze besliste de pillen toch maar niet te nemen is standaardtaal in België.

Toelichting

De werkwoorden beslissen en besluiten kunnen in de standaardtaal allebei zowel overgankelijk als onovergankelijk gebruikt worden.

(1) Ze besliste dat ze thuis zou blijven. (overgankelijk)

(2) De meerderheid besliste over de zaak. (onovergankelijk)

(3) Uit die verklaring besluit ik dat hij gelogen heeft. (overgankelijk)

(4) Ze besloten tot het opnemen van de redacteur in hun gelederen. (onovergankelijk)

Besluiten kan in de standaardtaal worden gecombineerd met te + infinitief.

(5) Ze besloot de pillen toch maar niet te nemen.

(6) Op basis van het bewijs heeft de rechter besloten hem niet te arresteren.

In de standaardtaal in België kan ook beslissen met te + infinitief gecombineerd worden. In Nederland is dat niet gebruikelijk.

(7) Ze besliste de pillen toch maar niet te nemen. [standaardtaal in België]

(8) Hij heeft net beslist een weekje vakantie te nemen. [standaardtaal in België]

Zie ook

Beslissen / besluiten

Naslagwerken

 

beslissen

besluiten

Grote Van Dale (2005) 2 (overg. en onoverg.) iets dat nog onzeker is een bepaalde uitkomst doen hebben

4 (overg.) na overweging of beraadslaging vaststellen, een besluit nemen, bepalen: besluiten iets te ondernemen

Van Dale Hedendaags Nederlands (2006)

2 een bepaalde uitkomst doen hebben, de doorslag geven in

2 [ook abs.] kiezen wat er gedaan wordt, syn. een besluit nemen, resolveren

Verschueren (1996)

2. uitspraak doen over

2. [als slot van een overweging of beraadslaging] iets beraadslagen dat men zich voorneemt te volbrengen: hij kon maar niet - om mee te gaan; de regering besloot tot onderhandelingen.

Koenen (2006)

2 iets onzekers een bep. uitkomst laten hebben

3 iets na overweging of beraadslaging vaststellen

Kramers (2000)

een besluit nemen; de uitslag bepalen; uitspraak doen over

1 een beslissing nemen

Woordenboek correct taalgebruik (2004), p. 32

[wordt afgekeurd] - (om) te…, besluiten (om) te … ; - dat …, (minder gebr. naast:) besluiten dat …; er niet toe kunnen -, besluiten; zich – tot , besluiten tot

[in deze betekenis niet opgenomen]

Stijlboek VRT (2003), p. 43

[bij beslissen / besluiten] Besluiten is afwegingen maken, grondig over alternatieven nadenken en tot besluit een keuze maken. Beslissen legt de nadruk op het vastleggen van een afspraak, op het doorhakken van een knoop, zodat aan bestaande onzekerheid een einde gemaakt wordt. De betekenis ligt zo dicht bij elkaar dat de twee woorden in vele gevallen door elkaar gebruikt kunnen worden.

In het algemeen Nederlands kan alleen besluiten met te + infinitief gecombineerd worden. In het Belgisch Nederlands wordt ook beslissen in die combinatie gebruikt.

-

ANS (1997), p. 1040of online via de E-ANS

-

De werkwoorden besluiten, (…) worden verbonden met een infinitief met te.