Is het zaterdags en zondags of 's zaterdags en 's zondags?
Als bepalingen van tijd (bijvoorbeeld in: ('s) zaterdags en ('s) zondags hebben we altijd vrij) zijn beide vormen en spellingen mogelijk en correct zonder verschil in betekenis. De vormen met 's zijn wel gebruikelijker dan de vormen zonder 's.
Net als van maandag en woensdag kunnen van zaterdag en zondag tijdsbepalingen worden gevormd met de uitgang -s en bovendien met een 's (van des, de tweede naamval van de): naast zaterdags en zondags komen 's zaterdags en 's zondags voor:
(1) ('s) Zaterdags doet zij haar boodschappen voor de hele week.
(2) Altijd is Kortjakje ziek; midden in de week, maar ('s) zondags niet.
Hoewel de woordenboeken alleen de vormen zonder 's opnemen, zijn de vormen met 's gebruikelijker. Overigens is in sommige delen van het taalgebied het verschil tussen beide vormen in gesproken taal niet altijd goed waarneembaar.
De vormen zaterdags en zondags komen niet alleen voor als bijwoorden van tijd, maar ook als bijvoeglijke naamwoorden:
(3) Zij doet bij de winkel om de hoek haar zaterdagse boodschappen.
(4) Hij ging naar de kerk in zijn zondagse pak.
Zaterdags / 's zaterdags / op zaterdag / zaterdag
| Prisma Stijlboek (1993), p. 65 |
zondags, 's maandags, dinsdags, 's woensdags, donderdags, vrijdags, zaterdags. De vraag is: Waarom in dit rijtje van zeven maar tweemaal 's? Vóór z heeft 's geen zin (2x), vóór (stemhebbende) d en v voelt de (stemloze) s zich niet op z'n plaats (3x). Zo blijven er twee over: 's maandags en 's woensdags. |
| ANS (1997), p. 222 |
Daarnaast bestaan (en zijn gebruikelijker): 's zondags, 's maandags, 's woensdags, 's zaterdags. |
| Grote Van Dale (2005) |
onder zaterdag: des of 's zaterdags, op zaterdag onder zaterdags: I (bw. van tijd), 1 op zaterdag: zaterdags heb ik les [...]; II (bn.), 1 van zaterdag, op zaterdag vallend, elke zaterdag terugkerend, plaatshebbend, verschijnend: het zaterdagse werk; een zaterdagse beurt onder zondag: des of 's zondags, op zondag onder zondags: I (bw. van tijd), op zondag, iedere zondag: zondags ga ik uit; II (bn.), van zondag, op zondag vallend, elke zondag terugkerend, plaatshebbend, verschijnend: zondagse dienst; de zondagse kleren; in zijn zondagse goed; op zijn zondags (gekleed), in zijn beste gewaad |
| Wolters-Koenen (1996) |
onder zaterdag: des (of: 's) zaterdags: op zaterdag; elke zaterdag onder zaterdags: bn, bw op een of elke zaterdag: de ~e markt, het ~e werk onder zondag: des (of: 's) zondags: a) op zondag; b) elke zondag onder zondags: bn, bw van zondag; op de zondag betrekking hebbende; op een of elke zondag: op zijn ~ gekleed in zijn beste pak |
| Kramers (1996) |
onder zaterdags: bn bijw op zaterdag, elke zaterdag onder zondags: bn bijw 1 iedere zondag: ~ gaan we altijd wandelen; 2 bij de zondag behorende, extra mooi: zondagse kleren |
| Verschueren (1996) |
onder zaterdag: op ' of (') -s. onder zaterdags: A. bw. op zaterdag: - is er geen school. - B. bn. van, eigen aan, behorende tot, betreffende de zaterdag: de gewone -e klanten. 2. Op zaterdag geschiedend: het -e werk. onder zondag: op ' of (') -s. onder zondags: 1. bn. als van, eigen aan, behorend tot, betrekking hebbend op de zondag: zijn -e kleren; op zijn - gekleed of op zijn - zijn, met zijn zondagse, beste pak aan. Tgst. door-de-weeks. 2. bw. op (iedere) zondag: - uitgaan. |