Officiële spelling Nederlandse Taalunie

Skiën (vervoeging)

Vraag

Wat is de correcte vervoeging van het werkwoord skiën?

Antwoord

Tegenwoordige tijd: ik ski, jij skiet, ski je, hij/zij skiet, wij/jullie/zij skiën.
Verleden tijd: ik skiede, jij skiede, skiede je, hij/zij skiede, wij/jullie/zij skieden.
Voltooid deelwoord: geskied.
Gebiedende wijs: ski!
Tegenwoordig deelwoord: skiënd.

Toelichting

De stam van het werkwoord is ski. In de eerste persoon is de correcte vervoeging ik ski. Er is geen reden om een e toe te voegen (ik skie); ik ski kan niet tot een verkeerde uitspraak leiden. In een aantal vervoegingsvormen schrijven we wél ie in plaats van i omdat i daar tot een verkeerde uitspraak zou kunnen leiden: jij/hij/zij skiet; ik/jij/hij/zij skiede, wij/jullie/zij skieden, ik heb/jij hebt/hij heeft geskied; wij/jullie/zij hebben geskied. Bij de vormen wij/jullie/zij skiën is het invoegen van een extra e niet nodig.

(1) Jolanda kan uitstekend skiën.

(2) Jolanda skiet uitstekend.

(3) Al skiënd maakten ze een praatje.

(4) Bas skiede zo snel hij kon naar de bar.

(5) Hij heeft meer in de rij gestaan voor de skilift dan geskied.

Vergelijkbaar is het werkwoord taxiën (van vliegtuigen, = 'op de wielen of drijvers zich over de grond of het water voortbewegen' of 'met een vliegtuig zich over de grond of het water voortbewegen'):

Tegenwoordige tijd: ik taxi, jij taxiet, taxi je, hij/zij/het taxiet, wij/jullie/zij taxiën.
Verleden tijd: ik taxiede, jij taxiede, taxiede je, jij/zij/het taxiede, wij/jullie/zij taxieden.
Voltooid deelwoord: het heeft of is getaxied.
Tegenwoordig deelwoord: taxiënd.

Zie ook

Werkwoorden (Leidraad 11)

Skister / skiester

Naslagwerken

Woordenlijst (2005)