Officiële spelling Nederlandse Taalunie

Scheppen: schepte / schiep

Vraag

Wat is de verleden tijd van scheppen: schepte of schiep?

Antwoord

Dat hangt af van de betekenis: scheppen in de betekenis 'oprapen (bijvoorbeeld met een schep)' heeft als verleden tijd schepte (en als voltooid deelwoord geschept); scheppen in de betekenis 'creëren': schiep (en geschapen als voltooid deelwoord).

Toelichting

De infinitief scheppen is een homoniem met als betekenissen: 'oplepelen, oprapen (bijvoorbeeld met een schep)', of 'creëren'. Voorbeelden:

(1a) De boer schept zand in een zak. ('oplepelen')

(2) God in ons, geest die schept en levend maakt. ('creëren'; herderlijk schrijven over de heilige Geest, 1998)

Als scheppen 'oplepelen' betekent, zijn de hoofdtijden schepte - geschept, zoals in:

(1b) De boer schepte zand in een zak.

(1c) De boer heeft zand in een zak geschept.

Als scheppen 'creëren' betekent, zijn de hoofdtijden schiep - geschapen. Voorbeelden:

(3) In den beginne schiep God de hemel en de aarde. (Gen 1,1)

(4) Waartoe dient ons dat wij weten dat God alles geschapen heeft en nog door Zijn voorzienigheid onderhoudt? (Heidelbergse catechismus, vraag 27)

In de vaste uitdrukkingen moed scheppen en behagen scheppen gaat het niet om het sterke werkwoord (niet: 'moed, behagen maken'), maar om het zwakke werkwoord scheppen ('moed behagen putten, uithalen'). Het is dus niet Hij schiep behagen in zijn werk en Hij schiep moed uit haar doortastendheid, maar Hij schepte behagen in zijn werk en Hij schepte moed uit haar doortastendheid.

Zie ook

Werkwoorden met een zwakke en een sterke vervoeging (algemeen)

Geslaan / geslagen

Bronnen

Timmers, C. & Reinsma, R. (1994-). Taaltips. Alphen aan den Rijn: Samson.

Naslagwerken

Woordenlijst (2005); Grote Van Dale (2005); Verschueren (1996) ; Wolters-Koenen (1996) ; Kramers (1996) ; Taalwijzer (1998) ; Schrijfwijzer (1995) , p. 103-104; ANS (1997) , p. 86, 92 en 93 of online via de E-ANS, Taalbaak 68.4