Is missen in Er mist een bladzijde correct, of moet het zijn: Er ontbreekt een bladzijde?
Hoewel missen vooral in Nederland soms wordt gebruikt in de betekenis 'ontbreken', is dit gebruik geen standaardtaal. Ontbreken en mankeren zijn wel standaardtaal.
Wanneer iets of iemand niet voorhanden of niet aanwezig is, terwijl dat toch wordt verwacht, zegt men in de standaardtaal dat iets of iemand ontbreekt of mankeert.
(1) 'Er ontbreekt een ingrediënt in de saus', fluisterde de kok zenuwachtig.
(2) Vanochtend ontbraken er tien soldaten op het appel.
(3) Toen we het dossier controleerden, bleken er enkele documenten te mankeren.
In deze betekenis wordt vooral in Nederland het werkwoord missen ook wel onovergankelijk gebruikt. Dat gebruik wordt door de meeste taalgebruikers niet aanvaard.
(4) Er miste die ochtend een doos koekjes en een zak brood uit de keuken. (in Nederland, geen standaardtaal)
Het overgankelijke gebruik van missen (onder meer in de betekenissen 'niet hebben wat men nodig heeft of wil', 'niet vinden, niet weten waar iets of iemand gebleven is' en 'de afwezigheid voelen') is wel standaardtaal.
(5) Ik mis nog drie plaatjes en dan heb ik de serie compleet.
(6) Toen we eindelijk in de stad aangekomen waren, misten we iemand van het reisgezelschap.
(7) Hij gaf toe dat hij haar vorige week gemist had toen ze in New York was.
Kwijt / zoek
Wijzigen, veranderen
| missen | ontbreken | |
| Grote Van Dale (2005) | II (…) 3 [leenvertaling van Fr. manquer] ontbreken | 1 niet aanwezig zijn, syn. mankeren |
| Van Dale Hedendaags Nederlands (2002) | 1 (inf.) ontbreken | 1 er niet zijn, terwijl dat wel moet of verwacht wordt, syn. mangelen, mankeren, missen, schorten aan |
| Verschueren (1996) | [in deze betekenis niet opgenomen] | 1. gemist worden, niet voorhanden, niet aanwezig zijn |
| Koenen (1999) | 5 afwezig zijn, ontbreken, weg zijn | 1 (van iets dat nodig is) mankeren, niet voorhanden zijn; tekortschieten (…) 2 (van personen) niet aanwezig zijn waar men zijn moet |
| Kramers (2000) | 3 inz ZN ontbreken | niet aanwezig zijn (gezegd van iem. die of iets wat aanwezig behoort te zijn) |
| Woordenboek correct taalgebruik (2004), p. 170 | er - twee bladzijden, er ontbreken | - |
| Vlaams-Nederlands woordenboek (2003) | ontbreken | - |