Officiële spelling Nederlandse Taalunie

Lijdend voorwerp en meewerkend voorwerp, volgorde in een zin

Vraag

Wat is de onderlinge volgorde van lijdend voorwerp en meewerkend voorwerp in een zin?

Antwoord

De onderlinge volgorde van lijdend voorwerp en meewerkend voorwerp (in ruimere zin: indirect object) is in de regel: het indirect object staat voor het lijdend voorwerp. Op deze algemene regel bestaan drie uitzonderingen.

Toelichting

Als in het middenstuk van een zin zowel een lijdend als een meewerkend of belanghebbend voorwerp (meer in het algemeen: een indirect object) voorkomt, dan is de onderlinge volgorde van die zinsdelen in de regel: indirect object-lijdend voorwerp. Voorbeelden:

(1a) Heb je die mensen dat nieuws niet verteld?

(1b) Heb je dat nieuws die mensen niet verteld? (uitgesloten)

(2a) Ik heb ze dat gisteren al meegedeeld.

(2b) Ik heb dat ze gisteren al meegedeeld. (uitgesloten)

(3a) Ik heb hem het boek nog niet gegeven.

(3b) Ik heb het boek hem nog niet gegeven. (uitgesloten)

(4a) Zal ik u een glas wijn inschenken?

(4b) Zal ik een glas wijn u inschenken? (uitgesloten)

(5a) Ik heb niemand iets gevraagd.

(5b) Ik heb iets niemand gevraagd. (uitgesloten)

(6a) Ze heeft niemand een cadeau gegeven.

(6b) Ze heeft een cadeau niemand gegeven. (uitgesloten)

(7a) Hij had een zwerver een som geld gegeven.

(7b) Hij had een som geld een zwerver gegeven. (uitgesloten)

(8a) We hebben de kinderen een cd gegeven.

(8b) We hebben een cd de kinderen gegeven. (uitgesloten)

Er zijn drie uitzonderingen op de algemene regel:

1. het/'t gaat als lijdend voorwerp altijd aan het indirect object vooraf, bijvoorbeeld:

(9a) We hebben 'm het/'t toch gezegd!? (uitgesloten)

(9b) We hebben het/'t 'm toch gezegd!?

(10a) Ik heb hem het gisteren gegeven. (uitgesloten)

(10b) Ik heb het hem gisteren gegeven.

2. een aanwijzend voornaamwoord als lijdend voorwerp kan ook voor een zelfstandig naamwoord(groep) als indirect object staan, bijvoorbeeld:

(11a) We hebben de kinderen dat gisteren al verteld.

(11b) We hebben dat de kinderen gisteren al verteld.

3. een indirect object (meewerkend voorwerp of belanghebbend voorwerp) in de vorm van een voorzetselgroep met aan of voor kan zowel voor als achter een lijdend voorwerp staan; vergelijk (13) met (4) en (14) met (5)):

(12a) Ik heb aan hem het boek gegeven.

(12b) Ik heb het boek aan hem gegeven.

(13a) Zal ik voor u een glas wijn inschenken?

(13b) Zal ik een glas wijn voor u inschenken?

(14a) Hij zei dat hij aan een goed doel zijn winst geschonken had. (alleen mogelijk in een bijzondere context, met sterk accent)

(14b) Hij zei dat hij zijn winst aan een goed doel geschonken had.

Naslagwerken

ANS (1997) , p. 1310 e.v. of online via de E-ANS en p. 1324-1325 of online