Officiële spelling Nederlandse Taalunie

Kunnen / kennen (ik kan / ken geen Engels)

Vraag

Wat is correct: ik kan geen Engels of ik ken geen Engels?

Antwoord

Ik ken geen Engels is correct. Sommige taalgebruikers combineren een taalnaam met kunnen (Ik kan Engels), maar dat is geen standaardtaal.

Toelichting

Kennen betekent onder andere: 'door studie of oefening geleerd hebben' ('beheersen'). Kunnen betekent onder andere: 'de kracht of macht bezitten iets te doen, een vaardigheid beheersen'. De betekenissen van beide werkwoorden zijn dus nauw verwant aan elkaar. Kennen is echter een overgankelijk werkwoord en wordt altijd gecombineerd met een lijdend voorwerp. Het is: een vak kennen, kunstjes kennen, iets van buiten kennen. Kunnen is daarentegen een hulpwerkwoord en wordt in de meeste gevallen gecombineerd met een infinitief. Voorbeelden: kunnen lezen, hij kan schrijven als de beste.

Kennen kan ook worden gecombineerd met de naam van een taal als lijdend voorwerp: Ik ken Engels of Ik ken een beetje Italiaans. Kunnen kan gecombineerd worden met een werkwoord als spreken of verstaan: Ik kan Pools verstaan. Vaak wordt in combinaties met kunnen geen infinitief uitgedrukt. Dat gebruik is geen standaardtaal.

(1a) Ze spreekt vloeiend Frans en Italiaans, maar Spaans kent ze niet.

(1b) Ze spreekt vloeiend Frans en Italiaans, maar Spaans kan ze niet spreken.

(1c) Ze spreekt vloeiend Frans en Italiaans, maar Spaans kan ze niet. (geen standaardtaal)

(2a) Hij kent Duits als de beste.

(2b) Hij kan Duits als de beste verstaan.

(2c) Hij kan Duits als de beste. (geen standaardtaal)

(3a) De directie veronderstelt dat je Frans kent.

(3b) De directie veronderstelt dat je Frans kunt spreken en verstaan.

(3c) De directie veronderstelt dat je Frans kunt. (geen standaardtaal)

Zie ook

Kennen / kunnen
Succes kennen

Bronnen

Onze Taal. Nederlands kennen / kunnen. Geraadpleegd op 7 februari 2013 via http://onzetaal.nl/taaladvies/advies/nederlands-kennen-kunnen.

Naslagwerken

 

(een taal) kunnen

Grote Van Dale (2005)

[bij kennen] 9 door onderricht of oefening bedrevenheid hebben of een duidelijk begrip hebben van -: een vak, een ambacht kennen; een taal kennen, die beheersen, kunnen spreken; die hond kent geen kunstjes; hij kent zijn les; ken jij je Frans?, heb jij je huiswerk voor Frans geleerd?

[bij kunnen] 5 (volkst.) kennen: hij kan geen kunstjes met kaarten; zij kon geen woord Nederlands

Woordenboek Correct Taalgebruik (2004), p. 149

[wordt afgekeurd] Spaans -, kennen (WEL: het – spreken)

Taalwijzer (2000), p. 181, 191

[bij kennen] (…) 2) let op de wending: een taal, de grammatica, de wiskunde enz. kennen

[bij kunnen] (…) 4) Niet te verwarren met * kennen; kunnen betekent: in staat zijn, mogelijk zijn en wordt bijna altijd gevolgd door een ww.

Van Dale Taalhandboek Nederlands (2011), p. 177

Juist zijn:
Ik ken geen Frans.
Ik kan geen Frans spreken / verstaan.
Onjuist zijn:
* Ik kan geen Frans.
* Ik ken geen Frans spreken / verstaan.
Advies: het is beter om de constructie taal + kennen helemaal te vermijden, want erg fraai is die niet. Beter is het om, naargelang van wat bedoeld wordt, een formulering te kiezen als:
Ik spreek geen Frans.
Ik versta geen Frans.
Ik beheers het Frans niet.