Nee, de enkelvoudsvorm hekken komt wel eens in België voor, maar is geen standaardtaal. De gangbare enkelvoudsvorm in de standaardtaal is hek.
In de standaardtaal is hek de gangbare enkelvoudsvorm. De meervoudsvorm van dit zelfstandig naamwoord is hekken. Hetzelfde geldt voor samenstellingen met hek en hekken.
(1) Al om 14 uur begaf het eerste hek het onder de druk van de fans.
(2) Britse woonwijken worden tijdens voetbalwedstrijden met dranghekken afgesloten.
In België komt in het enkelvoud af en toe het hekken voor, met daarbij een meervoud op -s: hekkens. Dat gebruik van hekken is evenwel geen standaardtaal.
(3) De luchthavens van Los Angeles krijgen nieuwe hekkens, want onlangs slaagde een man erin om met zijn motorfiets door zo'n hekken te glippen. (in België, geen standaardtaal)
(4) Achter een ijzeren hekken zien we een schattig gebouw met een oranje zadeldak. (in België, geen standaardtaal)
| hekken | hek | |
| Grote Van Dale (2005) | 2 (Belg.N., niet alg.) hek (1) | 1 afscheiding of omheining van verticale, op gelijke afstanden geplaatste, overdwars verbonden palen, staven of spijlen |
| Van Dale Hedendaags Nederlands (2002) | 1 (Belg., niet alg.) hek | 1 afscheiding van hout of metaal, syn. hekken, hekwerk |
| Verschueren (1996) | Z.N. hek | 1. a. Algm. afscheiding van lat- en traliewerk |
| Koenen (1999) | - | 1 afscheiding of omheining uit spijlen, staven, palen enz. (…) 2 (draaiend) raam- of traliewerk als sluiting ve toegang |
| Kramers (2000) | - | 1 omheining van palen, gaas e.d. (…) 2 sluitbare in- en uitgang van een terrein |
| Correct Taalgebruik (2001), p. 101 | - | In het enkelvoud hebben we het over een hek. De meervoudsvorm is hekken. |
| Woordenboek correct taalgebruik (2004), p. 112 | [wordt afgekeurd] hek, (mv.) hekken | - |
| Stijlboek VRT (2003), p. 109 | [bij hek / hekken] Algemeen Nederlands zijn: het hek, de hekken (mv.). Niet: *het hekken, de *hekkens. | - |
| Vlaams-Nederlands woordenboek (2003) | hek | - |