Is het gij kwam of gij kwaamt?
Correct is: gij kwaamt/kwaamt gij. De onvoltooid verleden tijd van sterke werkwoorden krijgt in combinatie met ge/gij zowel in het enkelvoud als in het meervoud een -t. Een aantal werkwoorden, waaronder komen, krijgt in dat geval een lange a (als aa geschreven).
Bij de zogeheten sterke (of geheel onregelmatige) werkwoorden wordt de onvoltooid verleden tijd van de tweede persoon bij ge of gij zowel in het enkelvoud als het meervoud gevormd door toevoeging van -t aan de verledentijdsvorm (dat is een van de zogenoemde hoofdtijden).
(1) blijven - bleef - gij bleeft/bleeft gij
(2) vinden - vond - gij vondt/vondt gij
(3) roepen - riep - ge riept/riept ge
Werkwoorden waarvan de verledentijdsvorm een korte a heeft, krijgen in dat geval een lange a (gespeld als aa), behalve wanneer de a gevolgd wordt door d, t of cht. Dan blijft de korte a gehandhaafd. Vergelijk bijvoorbeeld (4) tot en met (7) met (8) tot en met (10):
(4) komen - kwam - gij kwaamt/kwaamt gij
(5) geven - gaf - gij gaaft/gaaft gij
(6) stelen - stal - gij staalt/staalt gij
(7) zien - zag - gij zaagt/zaagt gij
(8) bidden - bad - gij badt/badt gij
(9) vergeten - vergat - gij vergat/vergat gij
(10) brengen - bracht - gij bracht/bracht gij
Werkwoorden waarvan de verledentijdsvorm al op -t eindigt, krijgen geen extra -t meer (zie (9) en (10)).
Op overeenkomstige wijze worden gevormd: genezen - gij genaast, lezen - gij laast, vergeven - gij vergaaft, bevelen - gij bevaalt, breken - gij braakt, nemen - gij naamt, spreken - gij spraakt, steken - gij staakt, liggen - gij laagt, zijn - gij waart, tegenover meten - gij mat, treden - gij tradt, vreten - gij vrat, zitten - gij zat, eten - gij at, hebben - gij hadt, denken - gij dacht, plegen - gij placht.
Het gebruik van ge/gij behoort tot de verheven stijl of is regionaal bepaald (het wordt in grote delen van België en in het zuiden van Nederland, vooral in Noord-Brabant gebruikt). De daarbij horende verledentijdsvormen van het werkwoord gelden als archaïsch. In enkele gevallen kan bovendien verwarring optreden met de vorm van de tegenwoordige tijd van een ander werkwoord: ge braakt (van braken), ge zaagt (van zagen), ge staakt (van staken). Om deze redenen worden de bedoelde combinaties vaak vermeden of worden de werkwoordsvormen ten onrechte vervangen door die welke bij u horen (ge kwam, ge zag enz.).
D / dt (tegenwoordige tijd): u rijd / u rijdt
D / t (tegenwoordige tijd): hij beloofd / hij belooft
D / t (verleden tijd): hij suiste / hij suisde
D / t (voltooid deelwoord): hij is verhuist / hij is verhuisd
Gij had / hadt
Zoudt / zou u
ANS (1997) , p. 72, 83-84, 87-100