Officiële spelling Nederlandse Taalunie

Haren / haar

Vraag

Wat is correct: het meisje met de opgestoken haren of het meisje met het opgestoken haar?

Antwoord

Zowel haar als haren is correct. Het enkelvoud haar wordt vaker dan haren gebruikt in de betekenis 'haardos'.

Toelichting

Als de gezamenlijke hoofdharen worden bedoeld, wordt vaker de enkelvoudsvorm haar gebruikt dan het meervoud haren, maar de meervoudsvorm is meestal niet uitgesloten.

(1) Mensen met rood haar (rode haren) en sproeten verbranden sneller in de zon.

(2) Wacht even, ik moet de knopen nog uit mijn haar (haren) kammen.

(3) Petra draagt haar haar (haren) al jaren kort.

Voor afzonderlijke haren kan zowel het enkelvoud haar als het meervoud haren gebruikt worden, maar het meervoud ligt vaak wel meer voor de hand.

(4) Gisteren ontdekte hij tot zijn afgrijzen de eerste grijze haren op zijn hoofd.

(5) Korte haren zijn (kort haar is) moeilijker te epileren.

(6) Bij haaruitval liggen (ligt) er 's ochtends vaak haren (haar) op je kussen.

In vaste combinaties en uitdrukkingen wordt soms haar, soms haren gebruikt.

(7) Na twee uur vlogen de kinderen elkaar al in het haar / in de haren.

(8) Ze is haar wilde haren nog altijd niet kwijt. 

Zie ook

Die / dat (geen haar op mijn hoofd - daaraan denkt)
Kleuren / verven (zijn haar -)

Naslagwerken

haar
Grote Van Dale (2005) 1 (haren) elk van de fijne, buigzame, in de lederhuid gewortelde buisjes, die het lichaam van mensen en vele dieren bedekken, een afzonderlijke haarvezel 2 (haren) (in 't bijz.) hoofdhaar van de mens: een bosje haren 3 (haren) (in 't mv.) al de hoofdharen samen, syn. haardos: met loshangende, met losse, met opgebonden haren 5 (g.mv.) (verzameln.)  het geheel van de haren, de verzameling haren (1,2) grof, zacht, licht, dik, lang, kort haar 6 (g.mv.) (verzameln.) (in 't bijz.) de gezamenlijke hoofdharen, syn. hoofdhaar (…) blond, rood, zwart haar (…) zijn haar laten knippen; zijn haar kammen, borstelen, wassen; lang, kort haar dragen; opgestoken haar
Van Dale Hedendaags Nederlands (2006) 1 al de haren die de huid of een deel daarvan bedekken 2 al de hoofdharen van de mens, syn. haardos, kuif, pruik: blond haar; zijn haar borstelen; iemands haar knippen; dun haar; goudblond haar; grijs haar; krullend haar; loshangend haar; zijn haar uitborstelen; het haar vlechten
Verschueren (1996) 2 Inz. een van de haren of de gezamenlijke haren die het hoofd van de mens bedekken: blond, blond, bruin (…) -; dicht, dik, dor, droog (…); het – uit de ogen strijken; het – zit in de war; het – uitkammen
Koenen (2006) 1 (in het algem) fijne, buigzame vezels die groeien op de huid van mensen en zoogdieren, m.n. hoofdhaar: het ~ kort, lang dragen 2 één zo'n vezel
Kramers (2000) 1 (het) totaal van de fijne, buigzame vezels die groeien op de huid van mensen en vele dieren 2 (de; haren) elk van deze vezels