Officiële spelling Nederlandse Taalunie

Klant / cliënt

Vraag

Wat is correct: Veel banken bieden hun nieuwe klanten extra voordelen of Veel banken bieden hun nieuwe cliënten extra voordelen?

Antwoord

Beide zinnen zijn juist. Klant en cliënt kunnen allebei gebruikt worden in de betekenis 'persoon die gebruikmaakt van de diensten van banken'.

Toelichting

Klanten doen aankopen bij winkeliers, ambachtslieden en fabrikanten.

(1) Gerard is al jaren een goede klant bij die kledingzaak. Hij koopt er al zijn pakken.

(2) Klanten bij Albert Heijn krijgen vandaag 20% korting op het hele wijnassortiment.

Iemand die gebruikmaakt van de diensten van een advocaat, notaris, therapeut of een andere dienstverlener, noemen we een cliënt. Voor personen die een beroep doen op de diensten van een bankier, verzekeringsagent en dergelijke, is zowel klant als cliënt gebruikelijk.

(3) Een goede therapeut weet snel het vertrouwen van zijn cliënten te winnen.  

(4) Ons advocatenkantoor ontvangt cliënten alleen op afspraak.

(5) Wanneer een klant / cliënt 's avonds laat een ongeval heeft, krijgt die graag zijn verzekeringsagent persoonlijk aan de lijn.

Het onderscheid tussen cliënt en klant is soms een kwestie van stijl. Sommige banken bijvoorbeeld gebruiken in advertenties bewust klanten in plaats van cliënten omdat cliënten nogal afstandelijk klinkt.

Bijzonderheid

De woorden klant en cliënt kunnen zowel voor mannen als vrouwen gebruikt worden. Van cliënt bestaat er ook een vrouwelijke vorm, cliënte.

(6) Als u bij ons klant bent, krijgt u extra korting op zwangerschapskleding.

(7) De advocaat wou vermijden dat zijn cliënte hem 's avonds opbelde. 

Zie ook

Cliëntèle / clientèle

Naslagwerken

 

klant

cliënt

Grote Van Dale (2005)

(de (m.); -en) 1 persoon in relatie tot degene die als koop- of ambachtsman door hem begunstigd wordt, bij wie hij pleegt te kopen of geregeld koopt, syn. cliënt 2 (bij uitbr.) iem. die iets komt kopen (in relatie tot de winkelier enz.), zonder gedachte aan regel of gewoonte

(de (v.); -en) 1 persoon die van de diensten van een advocaat, notaris, (psycho)therapeut, bankier, een maatschappelijk werkster e.d. gebruik maakt in zijn verhouding tot deze 2 klant; vr. cliënte

Koenen (2006)

m,v -en1 persoon in de relatie tot degene bij wie hij koopt

m,v -en, cliënte v -s, -n 1 (jur) iem die door een advocaat in rechtszaken of door een notaris wordt geholpen; 2 (in de handel) klant; 3 iem die gebruik maakt van, wordt geholpen door of in een welzijnsvoorziening, een consultatiebureau, een ziekenhuis e.d.

Kramers (2000)

(de (m); -en) vaste koper, bezoeker enz.

(de (m); -en), cliënte (de (v); -n, ook -s) 2 persoon die van de diensten van een advocaat, notaris, bankier enz. gebruik maakt; klant; 3 persoon die een psychotherapeutische behandeling ondergaat of voorwerp is van maatschappelijke zorg

Stijlboek VRT (2003), p.137

Winkeliers hebben klanten.

Beoefenaars van vrije beroepen, banken, therapeuten en hulpverleners hebben cliënten.

Van Dale hedendaags Nederlands (2006)

[de ~ (m.), ~en] 1 iem. die van de diensten van een handelaar, vakman enz. gebruik wenst te maken, syn. cliënt

[de ~ (m.), ~en] 1 iem. die van de diensten van een advocaat, notaris, psychotherapeut, maatschappelijk werker e.d. gebruikmaakt in zijn verhouding tot deze
2 klant

Verschueren (1996)

m. (-en) 1. persoon aan wie men gewoonlijk verkoopt of levert

m. (-en) (…) 2 a. persoon van wie een zaak behandeld wordt door een advocaat, bankier of notaris b. Hand. klant c. persoon die gebruik maakt van geneeskundige, sociale enz. voorzieningen. cliënte v. (-s, -n)

Woordenboek correct taalgebruik (2004), p.53

-

[wordt afgekeurd] klant (van een winkelier). – wel: van advocaten, bankiers en andere dienstverleners; in Nederland ook voor een klant van een chique winkel.