Officiële spelling Nederlandse Taalunie

Werkwoordvolgorde in werkwoordgroepen: groepen van twee werkwoorden (algemeen)

Tweeledige werkwoordelijke eindgroepen
Tweeledige eindgroepen met een deelwoord als zelfstandig werkwoord
Tweeledige eindgroepen met een infinitief als zelfstandig werkwoord

Tweeledige werkwoordelijke eindgroepen Top

Als aan het eind van een bijzin of een hoofdzin twee of meer werkwoordsvormen samen voorkomen, spreekt men van een werkwoordelijke eindgroep. Zo'n twee- of meerledige eindgroep vormt in principe een ondoordringbaar geheel, dat wil zeggen dat er afgezien van enkele uitzonderingen tussen die werkwoordsvormen geen niet-werkwoordelijke elementen kunnen staan. Voorbeelden van tweeledige eindgroepen, respectievelijk in bijzinnen (zie (1a) en (2a)) en hoofdzinnen (zie (3a) en (4a)), zijn:

(1a) (Het is duidelijk) dat hij een deel van de waarheid verzwegen heeft. (bijzin)

(2a) (Ik geloof nooit) dat hij dat nog kan veranderen. (bijzin)

(3a) Hij moet een deel van de waarheid verzwegen hebben. (hoofdzin)

(4a) Zou je daar nog wat aan kunnen veranderen? (hoofdzin)

Deze tweeledige werkwoordelijke eindgroepen bestaan telkens uit een hulpwerkwoord en een hoofdwerkwoord (of zelfstandig werkwoord). Het type hulpwerkwoord bepaalt welke vorm het zelfstandig werkwoord krijgt. In (1a) en (3a) bestaat de eindgroep uit een hulpwerkwoord van tijd (hebben) en een zelfstandig werkwoord, dat hier de vorm van een voltooid deelwoord heeft. In (2a) en (4a) gaat het om de combinatie van een hulpwerkwoord van modaliteit (kunnen) en een zelfstandig werkwoord in de vorm van een infinitief.

In een tweeledige werkwoordgroep zijn er in principe twee mogelijkheden voor de onderlinge volgorde van de werkwoordsvormen, maar in de praktijk maakt het een groot verschil of het zelfstandig werkwoord een deelwoord dan wel een infinitief is.


Tweeledige eindgroepen met een deelwoord als zelfstandig werkwoord Top

In tweeledige werkwoordelijke eindgroepen met een deelwoord zijn er twee volgordes mogelijk: deelwoord vóór het hulpwerkwoord, zoals in (1a) en (3a), of deelwoord erna, zoals in:

(1b) (Het is duidelijk) dat hij een deel van de waarheid heeft verzwegen.

(3b) Hij moet een deel van de waarheid hebben verzwegen.

Dezelfde mogelijkheden doen zich voor in zinnen met het hulpwerkwoord van de lijdende vorm worden:

(5a) Er moet eerst nog wat aan veranderd worden.

(5b) Er moet eerst nog wat aan worden veranderd.

Beide werkwoordvolgordes zijn correct. Er bestaat een hardnekkig misverstand dat de volgorde met het deelwoord achteraan, dus zoals in de (b)-zinnen, beter zou zijn. Dat is beslist niet het geval. De volgorde is in principe vrij: iedereen kan hier zijn persoonlijke voorkeur en zijn gevoel voor zinsritme laten gelden. Een en ander neemt niet weg dat er bepaalde tendensen in het gebruik aan te wijzen zijn. Er tekent zich met name een verschil af tussen gesproken en geschreven taal. In niet- formele gesproken taal is de volgorde waarbij de persoonsvorm volgt op het deelwoord, het gebruikelijkst (dus: verzwegen heeft, veranderd worden enzovoort). In geschreven taal, vooral in journalistieke teksten, bestaat er een toenemende tendens om de volgorde hulpwerkwoord-deelwoord te gebruiken (dus: heeft verzwegen, worden veranderd enzovoort).


Tweeledige eindgroepen met een infinitief als zelfstandig werkwoord Top

Bij eindgroepen met een infinitief als zelfstandig werkwoord dient nog een onderscheid gemaakt te worden tussen een infinitief zonder te en een infinitief met te.

De gewone volgorde in eindgroepen met een infinitief zonder te als zelfstandig werkwoord is die waarbij die infinitief achteraan staat, zoals in (2a) en (4a) en in de volgende voorbeelden:

(6a) Ik weet niet of ik kan komen.

(7a) De directie besloot dat hij mocht blijven.

De omgekeerde volgorde is meestal ook mogelijk, vooral bij combinaties met kunnen, moeten, mogen, willen of zullen als hulpwerkwoord, bijvoorbeeld:

(2b) (Ik geloof nooit) dat hij dat nog veranderen kan.

(4b) Zou je daar nog wat aan veranderen kunnen? (twijfelachtig)

(6b) Ik weet niet of ik komen kan.

(7b) De directie besloot dat hij blijven mocht.

Deze volgorde is wel altijd minder gewoon, behalve in het noordoostelijke deel van Nederland, waar hij algemeen gebruikt wordt.

Is het zelfstandig werkwoord een infinitief met te, dan kan die in de meeste gevallen alleen maar aan het eind van de werkwoordgroep staan, bijvoorbeeld:

(8) Hij zou mij proberen te bellen.

(9) Jos zei dat hij het begon te begrijpen.

(10) Het is niet duidelijk of ze voor de rechter dienen te verschijnen.

Beginnen / begonnen
Helpen (te)

Bij combinaties van een van de werkwoorden hangen (onovergankelijk), liggen, lopen, staan en zitten met een infinitief met te zijn echter twee volgordes mogelijk, zij het dat de volgorde met de infinitief met te achteraan meestal de voorkeur verdient. De omgekeerde volgorde geldt in sommige gevallen als regionaal (noordoostelijk) taalgebruik. Vergelijk bijvoorbeeld:

(11a) Ze kwamen langs veldjes waar was lag te bleken.

(11b) Ze kwamen langs veldjes waar was te bleken lag.

(12a) De meester zag dat hij zat te slapen.

(12b) De meester zag dat hij te slapen zat.

Bij een aantal andere combinaties heeft juist de volgorde met de infinitief met te aan het begin de voorkeur of is dat zelfs de enige mogelijkheid, bijvoorbeeld:

(13a) Jan schreef dat hij nog heel veel te doen had.

(13b) Jan schreef dat hij nog heel veel had te doen.

(14a) Ze vroeg of er nog wat nieuws te vertellen viel.

(14b) Ze vroeg of er nog wat nieuws viel te vertellen.

(15a) Hoe moet ik zoiets in hemelsnaam te weten komen?

(15b) Hoe moet ik zoiets in hemelsnaam komen te weten? (uitgesloten)

Doe eens koffiezetten

Naslagwerken

ANS (1997), p. 1067-1069 of online via de E-ANS, p. 1072-1076 of online; Handboek Verzorgd Nederlands (1996), p. 193-195; Schrijfwijzer (1995), p. 99-100; Taalboek Nederlands (1997), p. 280-281; Verzorgd Nederlands (1974), p. 90-91; Ik schrijf zonder fouten (1996), p. 183-184