Taalunieversum

Nederlandse Taalunie

Taaladvies.net

U bent hier: taalunieversum » taaladvies

Aaneenschrijven van voornaamwoordelijke bijwoorden (algemeen)

Wat is een voornaamwoordelijk bijwoord?
Géén voornaamwoordelijk bijwoord
De vooropplaatsproef

Wat is een voornaamwoordelijk bijwoord?

De bijwoorden van plaats er, hier, daar, waar, ergens, nergens en overal in combinatie met één of meerdere voorzetsels (bijvoorbeeld aan, bij, voor) of met de bijwoorden af, heen en toe worden voornaamwoordelijke bijwoorden genoemd.

In de regel worden de delen van het voornaamwoordelijk bijwoord aaneengeschreven.

(1) Het boek ligt op tafel. Het boek ligt erop.

(2) Hij rende daarheen.

(3) Waarover hebben jullie gesproken?

(4) Hij kroop eronderdoor.

Het laatste voorbeeld laat zien dat het voornaamwoordelijk bijwoord ook uit meer dan twee delen kan bestaan.

Aan de bijwoorden ergens, nergens en overal kan evenwel nóóit een voorzetsel of bijwoord worden vast geschreven:

(5) Zij bemoeit zich nergens mee.

(6) Hij wil overal bij zijn.

Daarnaast kan het voornaamwoordelijk bijwoord gesplitst worden door een zinsdeel:

(7) Je moet het hier voorlopig maar mee doen.

(8) Waar denk je dat mee te betalen?

(9) De dieven zijn er met de diskettes vandoor.


Géén voornaamwoordelijk bijwoord

In de volgende gevallen kunnen de zeven bijwoorden er, hier, daar, waar, ergens, nergens en overal géén voornaamwoordelijk bijwoord vormen met één of meer voorzetsels of met de bijwoorden af, heen en toe:

1. De voorzetsels of de bijwoorden af, heen en toe maken deel uit van een samengesteld werkwoord.

2. De voorzetsels of de bijwoorden af, heen en toe horen bij een zelfstandig naamwoord dat erop volgt (eventueel voorafgegaan door een andere woordsoort).

Om erachter te komen of een voorzetsel of bijwoord bij een zelfstandig naamwoord of een samengesteld werkwoord hoort, is er de 'vooropplaatsproef'.


De vooropplaatsproef

Kijk of er, hier, daar, waar, ergens, nergens en overal en het voorzetsel of één van de drie bijwoorden af, heen en toe als één geheel voor de persoonsvorm gezet kunnen worden. Verander hierbij er, ergens, nergens en overal in daar.

Is de vooropplaatsing níet mogelijk, dan hoort het voorzetsel of het bijwoord bij een zelfstandig naamwoord of maakt het deel uit van een samengesteld werkwoord. Het voorzetsel of het bijwoord kan dan geen deel uitmaken van een voornaamwoordelijk bijwoord.

Voorbeeld 1

(10) Het boek ligt daar op/daarop tafel.

(10a) Daarop ligt het boek tafel. (uitgesloten)

(10b) Daar ligt het boek op tafel.

De eerste vooropplaatsing is niet mogelijk; daarop kan niet in z'n geheel voor de persoonsvorm worden geplaatst, dus wordt het los geschreven. De tweede vooropplaatsing laat zien dat op bij het zelfstandig naamwoord tafel hoort. De juiste formulering is dus:

(10c) Het boek ligt daar op tafel.

Voorbeeld 2

(11) Je moet eraf blijven/er af blijven/er afblijven/erafblijven.

(11a) Daaraf moet je blijven. (uitgesloten; er verandert in daar)

(11b) Daar moet je afblijven.

De eerste vooropplaatsing is niet mogelijk; daaraf kan niet in z'n geheel voor de persoonsvorm worden geplaatst: dus wordt het los geschreven. De tweede vooropplaatsing laat zien dat af deel uitmaakt van het samengestelde werkwoord afblijven. De juiste formulering is dus:

(11c) Je moet er afblijven.


Zie ook

Woordgroep of samenstelling? (Leidraad 6.8)
Los, aaneen of met een koppelteken (Leidraad 6)

Er vandoor gaan / ervandoor gaan
Er van langs / ervanlangs / ervan langs (geven / krijgen)
Ervan uitgaan
Ervooruit / ervoor uit (hij komt -)
Naar toe / naartoe
Tot daar aan toe / totdaaraantoe / tot daaraan toe

Naslagwerken

ANS (1997), p. 490-493 of online via de E-ANS, p. 609-610 of online; Handboek Verzorgd Nederlands (1996), p. 80-82; Schrijfwijzer (2005), p. 157-159; Taalbaak 37; Taalboek Nederlands (2003), p. 204; Grote Van Dale (2005); Van den Toorn (1984); Woordenlijst (2005)