Taalunieversum

Nederlandse Taalunie

Taaladvies.net

U bent hier: taalunieversum » taaladvies

Werkeloos / werkloos

Vraag

Is er verschil in gebruik tussen werkeloos en werkloos?

Antwoord

Ja. Werkloos wordt vrijwel uitsluitend gebruikt in de betekenis 'zonder werk'. Werkeloos wordt ook wel in deze betekenis gebruikt, maar vooral in de betekenis 'zonder iets te doen'. In deze laatste betekenis is werkloos niet gebruikelijk. In geschreven taal wordt dit onderscheid nauwkeuriger in acht genomen dan in gesproken taal.

Toelichting

Met het achtervoegsel -loos kunnen bijvoeglijke naamwoorden worden gevormd van zelfstandige naamwoorden met de betekenis 'zonder -', bijvoorbeeld draadloos, bodemloos, liefdeloos. Soms verschijnt in deze afleidingen een tussenklank -e-, bijvoorbeeld zorgeloos, mateloos, vruchteloos.

In een aantal gevallen kan met -loos van hetzelfde zelfstandig naamwoord zowel een afleiding met als een afleiding zonder tussenklank -e- worden gevormd, waarbij er sprake is van betekenisverschil: de afleidingen zonder tussen-e hebben een letterlijke betekenis, de afleidingen met tussen-e een afgeleide of overdrachtelijke betekenis. Voorbeelden: naamloos ('zonder naam, anoniem') - nameloos ('onuitsprekelijk groot'); smaakloos ('zonder smaak') - smakeloos ('niet van goede smaak getuigend'); zinloos ('zonder zin, betekenis') - zinneloos ('zonder zinnen, krankzinnig'); zoutloos ('zonder zout') - zouteloos ('zonder pit, niet geestig').

Alleen bij werk(e)loos wordt dit betekenisonderscheid niet of niet consequent gemaakt. De vormen kunnen echter niet zonder meer door elkaar worden gebruikt. In de letterlijke betekenis 'zonder werk' zijn ze in gesproken taal beide gebruikelijk; in geschreven taal bestaat een voorkeur voor werkloos. In de afgeleide betekenis 'zonder iets te doen' wordt vrijwel altijd werkeloos gebruikt, zowel in gesproken als in geschreven taal.

Zie ook

Samenstelling met tussenletters -e- of -en- (Leidraad 8)
Hoofdregel (Leidraad 8.1)
Afleiding zonder tussen-n (Leidraad 9.1)

Giraffehals / giraffenhals
Ideeënloos / ideeëloos
Reuzenkans / reuzekans
Zorgenloos / zorgeloos

Naslagwerken


werkloos

werkeloos

Grote Van Dale (2005)

zonder werk (buiten eigen toedoen), geen werk kunnende vinden: hij is al geruime tijd werkloos (...) niet onvrijwillig werkloos, verwijtbaar werkloos, werkloos door eigen schuld, m.n. doordat men (te) weinig doet om werk te vinden.

1 niets doend, niets verrichtend: (...) werkeloos toezien, zonder iets te doen om te helpen enz.

Van Dale Handwoordenboek (1996)

=> werkeloos

0.1 niets doend

0.2 zonder bezoldigd werk

Verschueren (1996)

1. Niets doend, zonder te helpen: - toezien.

2. geen werk hebbend, omdat men er geen kan vinden: ze is al drie maanden -.

= werkeloos

= werkloos

Grote Koenen (1986)

geen werk hebbend; niets uitvoerend: zijn vader was de hele winter ; ~ toekijken

1 (uit eigen beweging) niets doende, niet uitvoerend: ~ toekijken, terwijl je best een handje had kunnen helpen

2 onvrijwillig, gedwongen door omstandigheden zonder beroepsarbeid

z werkeloze, werkloos

Wolters-Koenen (1996)

1 (uit eigen beweging) niets doende, niets uitvoerend: ~ toekijken

2 onvrijwillig, gedwongen door omstandigheden zonder beroepsarbeid

z werkloos

1 geen betaald werk hebbend: zijn vader was de hele winter

2 niets uitvoerend: ~ toekijken

Kramers (1996)

= werkeloos

1 niets uitvoerend: ~ toezien

2 zonder werk zijnd, geen werk kunnende vinden

Spectrum woordenboek (1994)

niets doend, passief: werkloos toezien

geen werk hebbend

= werkloos

Schrijfwijzer (1995) , p. 188

zonder werk

zonder iets te doen

Nieuw stijlboek Volkskrant (1997) , p. 183

hij is al geruime tijd werkloos

Let op het betekenisverschil: hij stond werkeloos toe te kijken

Taalwijzer (1998) , p. 378

Werkloos betekent ook: geen betaald werk hebbend.

Werkloos en werkeloos betekenen beide: uit eigen beweging niets doende, niet uitvoerend.

ANS (1997) , p. 724

De vorm werkloos ('zonder werk') is de gewone vorm in geschreven taal.

De vorm werkeloos wordt gebruikt zowel in de betekenis 'zonder werk, geen werk hebbend' als in de betekenis 'zonder iets te doen' (bijv. werkeloos toezien).

Nederlandse Taalunie