Taalunieversum

Nederlandse Taalunie

Taaladvies.net

U bent hier: taalunieversum » taaladvies

Vakantie (op / met -)

Vraag

Ga je op of met vakantie?

Antwoord

De twee voorzetsels zijn beide mogelijk, soms met verschil in betekenis.

Toelichting

Zowel met vakantie zijn/gaan als op vakantie zijn/gaan is mogelijk. Het bezwaar tegen op vakantie dat het een contaminatie is van op reis en met vakantie, is niet juist. Op vakantie zou volgens sommige naslagwerken gebruikelijker zijn bij katholieken; protestanten zouden gewoonlijk met vakantie zeggen. Volgens andere naslagwerken is op vakantie gebruikelijker beneden de Moerdijk (België inbegrepen) en met vakantie in het noordelijke deel van het taalgebied.

De meeste taalgebruikers voelen overigens een betekenisverschil tussen op vakantie zijn en met vakantie zijn. Op vakantie zijn heeft de meer letterlijke betekenis 'ergens verblijven als tijdverdrijf in je vrije tijd', terwijl met vakantie zijn ook 'niet hoeven te werken, niet-actief zijn' (of, nog ruimer: 'weg') kan betekenen. Vergelijk:

(1) Ik ga elk jaar naar Napels op vakantie. (ook met is hier mogelijk)

(2) Er moet wel wat werk worden verzet; we zijn hier tenslotte niet met vakantie. (op is uitgesloten)

(3) Toen zijn zus dat zei, was haar verstand vast met vakantie. (op is uitgesloten)

Zie ook

Algemeen (in / over het -)
In / op de eerste plaats
In / op + eilandnaam
Verlof / vakantie
Voetlicht (over / voor het -)
Voorwaarden (in / op / onder deze -)

Bronnen

Taalbeheersing in de Praktijk (1993), nr. 1, 20.

Naslagwerken

Grote Van Dale (2005); Van Dale Hedendaags Nederlands (1996); Grote Koenen (1986); Kramers (1996); Taal en tekst (1988); Taalwijzer (1998), p. 338; Correct Taalgebruik (1997); Schrijfwijzer (1995), p. 93; Prisma Stijlboek (1993), p. 249; ABN-gids (1996), p. 330; WNT