Is het uitwijden of uitweiden, in de betekenis 'uitvoerig spreken'?
In de betekenis 'uitvoerig spreken' wordt uitweiden met een korte ei gespeld. Daarnaast komt in de betekenis 'wijder worden, wijder maken' het minder gebruikelijk werkwoord uitwijden voor.
Over de etymologie en spelling van uitweiden is heel wat te doen geweest. Uitweiden betekent oorspronkelijk 'afgrazen', 'uit de wei gaan om wijd en zijd voedsel te zoeken' en vandaar 'afdwalen'. Door de associatie met wijd (wijdlopig) is de betekenis 'uitvoerig spreken (door van het eigenlijke onderwerp af te dwalen)' in gebruik gekomen. Daarnaast komt het werkwoord ook overgankelijk voor in de betekenis 'de ingewanden van een aangeschoten dier verwijderen'.
Ook het werkwoord uitwijden kan zowel overgankelijk als onovergankelijk zijn. In onovergankelijk gebruik is de betekenis 'wijder worden' (de straat wijdt tussen hoge huizen uit); in overgankelijk gebruik 'wijder maken' (door er zo aan te trekken wijd je de trui uit).
Brei / brij
Gevlei / gevlij (in het - komen)
Peiler / pijler
Pijl / peil (geen - op te trekken)
Pubertijd / puberteit
Stampei / stampij
Vleien / vlijen
Wijds / weids
Wijfelen / weifelen
Grote Van Dale (2005); Schrijfwijzer (1995) , p. 191; Basishandleiding Nederlands (1996) , p. 74; Prisma Stijlboek (1993) , p. 248; Taalwijzer (1998) , p. 335; WNT; Woordenlijst (2005)