Officiële spelling Nederlandse Taalunie

Protestant / protestants

Vraag

Kan protestant ook als bijvoeglijk naamwoord worden gebruikt (zoals in de protestante kerkgenootschappen), of moet het protestants zijn?

Antwoord

Beide vormen komen voor en zijn correct, maar het gebruik van de vorm zonder -s (protestant) als bijvoeglijk naamwoord is weinig gangbaar.

Toelichting

Het gebruikelijke bijvoeglijke naamwoord dat van het zelfstandig naamwoord protestant ('lid van een van de christelijke kerkgenootschappen die ten gevolge van de Hervorming zijn ontstaan') is afgeleid, is protestants, bijvoorbeeld in: het protestantse geloof, hij is van huis uit protestants. Daarnaast komt de woordvorm protestant zelf als bijvoeglijk naamwoord voor, ook in de koppeling protestant-christelijk (naast protestants-christelijk).

Protestant is afgeleid van het Latijnse protestans, het als bijvoeglijk naamwoord gebruikte tegenwoordig deelwoord van protestari ('publiekelijk verklaren, getuigen'). Protestant is dus van oorsprong een zelfstandig gebruikt bijvoeglijk naamwoord ('protesterende'), waarvan met de uitgang -s weer een nieuw bijvoeglijk naamwoord is gevormd.

Zinnen waarin protestant naamwoordelijk deel van het gezegde is, kunnen vaak op twee wijzen worden begrepen: hij is protestant kan zowel betekenen 'hij is lid van een protestants kerkgenootschap' (protestant = zelfstandig naamwoord) als 'hij is protestants-christelijk' (protestant = bijvoeglijk naamwoord).

Naslagwerken

WNT; Grote Van Dale (2005)