Officiële spelling Nederlandse Taalunie

Prognotiseren / prognostiseren / pronostikeren / prognosticeren

Vraag

Wat is het correcte woord: prognotiseren, prognostiseren, pronostikeren of prognosticeren?

Antwoord

Prognosticeren is standaardtaal in Nederland. Pronostikeren is standaardtaal in België. Prognotiseren en prognostiseren zijn geen standaardtaal.

Toelichting

Van deze vier werkwoorden hebben er slechts twee standaardtaalkarakter, zij het dat geen van beide standaardtaal in het hele taalgebied is. Standaardtaal in Nederland is prognosticeren.

(1) De pientere sportjournalist prognosticeerde dat Ajax de halve finales niet zou halen. [standaardtaal in Nederland]

Daarnaast schrijven en zeggen veel Nederlandse taalgebruikers prognotiseren, naar analogie van hypnose - hypnotiseren. Anderen schrijven en zeggen prognostiseren, met een s en niet met een c, zoals in diagnose - diagnostiseren. Beide woorden zijn echter geen standaardtaal.

(2) Hij prognostiseert dat de verkoop van dvd-spelers dit jaar met 20% zal stijgen. (in Nederland, geen standaardtaal)

Dat prognosticeren een c heeft, is te verklaren op basis van de etymologie. Het werkwoord prognosticeren is namelijk gebaseerd op het Latijnse prognosticare, zoals ook communiceren op communicare, indiceren op indicare, falsificeren op falsificare enzovoort.

Standaardtaal in België is pronostikeren. Vooral in de sporttaal is dit werkwoord zeer gebruikelijk.

(3) Frank pronostikeerde vorig jaar al dat Museeuw dit jaar toch weer zou beweren te stoppen met wielrennen. [standaardtaal in België]

(4) Het is niet moeilijk om te pronostikeren wie deze wedstrijd zal winnen. [standaardtaal in België]

Pronostikeren betekent in de sporttaal in België naast 'voorspellen' ook 'deelnemen aan een pronostiek', waarbij pronostiek de Belgische tegenhanger is van het Nederlandse toto.

(5) Pronostikeer hier op de verschillende matchen van het wereldkampioenschap voetbal. [standaardtaal in België]

Een alternatief voor beide werkwoorden dat standaardtaal is in het hele taalgebied, is voorspellen.

(6) De voorzitter voorspelde dat de vereniging volgend jaar niet meer zou bestaan.

(7) Ik had toch voorspeld dat de Rode Duivels de wedstrijd zouden winnen!

Zie ook

Acquisiteren / acquireren
Alloceren (uitspraak)
Comiteren / comitteren / commiteren / committeren
Destilleren / distilleren
Faciliëren / faciliteren
Sceptisch, scepter (uitspraak)

Naslagwerken

prognosticeren pronostikeren
Grote Van Dale (2005) voorspellen, ramen, schatten

1 (…) (alg.Belg.N.) als subjectieve voorspelling of verwachting formuleren 2 (…) (Belg.N., niet alg.) deelnemen aan een toto.

Van Dale Hedendaags Nederlands (2006)

1 (een verloop, ontwikkelingen) voorspellen

-

Verschueren (1996)

een prognose opzetten, geven van, voorspellingen maken

[Fr.] Z.N. 1. deelnemen aan een pronostiek 2. voorspellen, voorzien.

Koenen (2006)

een voorspelling doen, een te verwachten verloop opstellen of formuleren

-

Kramers (2000)

-

ZN 1 sp een voorspelling doen m.b.t. sportprestaties (…) 2 voorspellen, voorzien; profiteren

Woordenboek correct taalgebruik (2004), p. 221

-

[wordt afgekeurd] voorspellen; (sportt.) een voorspelling doen m.b.t. sportprestaties

Vlaams-Nederlands woordenboek (2003)

-

voorspellen, voorzien vooral van sportuitslagen