Wat is correct: met ons allen of met z'n allen?
Beide constructies zijn mogelijk. Met z'n allen is informeler en behoort meer tot de spreektaal dan met ons allen.
In de constructie 'met + bezittelijk voornaamwoord + allen' kan in alle gevallen z'n (niet zijn) worden gebruikt, ongeacht de persoon en het natuurlijke geslacht. In de eerste en derde persoon meervoud (wij/we resp. zij/ze) kan ook het bezittelijk voornaamwoord van dezelfde persoon (ons resp. hun) worden gebruikt:
(1) We gaan met z'n/ons allen naar de kerk.
(2) Zij waren met z'n/hun allen.
In de tweede persoon meervoud is echter alleen z'n gebruikelijk; jullie of je is hier zo niet uitgesloten, dan toch uitzonderlijk:
(3) Hebben jullie dat met z'n allen gedaan?
(4) Jullie zijn daar met je/jullie allen naartoe gegaan. (twijfelachtig)
In plaats van het onbepaald voornaamwoord allen kan in deze constructie ook een hoofdtelwoord voorkomen. Ook dit telwoord eindigt dan op -en:
(5) We vormden met z'n/ons zessen een hecht groepje.
(6) Ze doen alles met z'n/hun tweeën.
Ten slotte kennen ook het hoofdtelwoord beide en het onbepaalde telwoord hoeveel deze mogelijkheid, veel en weinig echter niet. De laatste kunnen wel met het voorzetsel met alleen worden verbonden:
(7) We hebben die beslissing toen met z'n/ons beiden genomen.
(8) Met z'n hoevelen waren jullie?
(9) Zij waren daar met velen/weinigen.
In deze constructie kunnen de hoofdtelwoorden beide, twee, drie en vier ook in de vorm van een verkleinwoord voorkomen: met z'n beidjes/tweetjes/drietjes/viertjes. Dit gebruik is beperkt tot de gesproken taal in een vertrouwelijke sfeer:
(10) Daarna zijn we met z'n beidjes/met z'n drietjes naar de voorstelling geweest.
Met vier / met vieren / met ons gevieren / met ons vieren / met z'n vieren
Zijn / hun (de tweeling is gek op - nichtje)
|
Schrijfwijzer (1995) , p. 122 |
Wat moet het zijn: Wij gaan met zijn of ons allen naar de film? Als het om personen gaat, worden de combinaties in/met/op zijn, enz., doorgaans aangepast aan het woord waar ze bij horen. Het is dus: Wij gaan met ons allen. Bij zaken krijgen we zijn in het enkelvoud en hun in het meervoud. |
|
met (...) zessen zijn, met ons zessen, met z'n zessen. |
|
|
ANS (1997) , p. 435-438 |
In sommige combinaties krijgen de bepaalde hoofdtelwoorden de toevoeging 'en. (...) De vorm op '(e)n komt met name voor: (...) in de constructie 'met + onbeklemtoond bezittelijk voornaamwoord + telwoord', bijv.: De rovers waren met z'n/hun dertigen. (...) In alle gevallen kan z'n worden gebruikt, ongeacht de persoon en het natuurlijke geslacht. |