Wat is correct: De voorafgaandelijke gesprekken verliepen niet erg vlot of de voorafgaande gesprekken verliepen niet erg vlot?
Correct is: De voorafgaande gesprekken verliepen niet erg vlot.
Voorafgaand is een bijvoeglijk naamwoord met als betekenis 'vroeger komend, plaatshebbend of gehad hebbend'. Het wordt gecombineerd met een zelfstandig naamwoord.
(1) Volgens mij werd dat vastgelegd in de voorafgaande bepalingen.
(2) Zonder de voorafgaande heisa zou de affiche niet opgevallen zijn.
Voorafgaandelijk is een (formeel) bijwoord van tijd, met als betekenis 'vooraf', 'van tevoren'. Een bijwoord geeft nadere informatie over de handeling die door het werkwoord wordt uitgedrukt.
(3) Voorafgaandelijk werden al bepaalde onderzoeken uitgevoerd.
(4) Daarvoor hebt u voorafgaandelijk schriftelijke toestemming nodig.
In België wordt voorafgaandelijk soms ook als bijvoeglijk naamwoord gebruikt. Dat gebruik is geen standaardtaal.
(5) Dringende ingrepen mogen worden uitgevoerd zonder voorafgaandelijke goedkeuring. (in België, geen standaardtaal)
(6) Hij vertrok zonder voorafgaandelijke toestemming. (in België, geen standaardtaal)
Gelukkiglijk / gelukkig
Onverwachtse / onverwachte
Recentelijk / recent
Respectievelijke / respectieve
| voorafgaand | voorafgaandelijk | |
| Grote Van Dale (2005) | bijv. naamw. 1 vroeger komend, plaatshebbend of gehad hebbend | I bijw. van tijd 1 (formeel) van tevoren II bijv. naamw. 1 (Belg.N., niet alg.) van te voren plaatsvindend syn. voorafgaand |
| Verschueren (1996) | bn. vorig, vroeger, eerder komend: -e bepalingen, besprekingen, opmerkingen; de –e kwestie; op – verzoek | bw. Z.N. vooraf, bij voorbaat, van tevoren |
| Kramers (2000) | bn vóór iets anders komend | bn ZN 1 voorafgaand; 2 vooraf, van te voren; 3 bij voorbaat |
| Koenen (2006) | bn voor iets anders komend; vroeger, vorig: een ~ onderzoek | - |
| Correct taalgebruik (2006), p. 296 | Als bijvoeglijk naamwoord is alleen voorafgaand gangbaar. | Als bijwoord is voorafgaandelijk correct, hoewel vooraf korter en gebruikelijker is. |
| Vlaams-Nederlands woordenboek (2003) | - | (bn. en bw.) voorafgaand, vooraf, van tevoren |