Is bankkaart correct?
Ja, bankkaart is standaardtaal in België. Standaardtaal in Nederland zijn onder meer bankpas en pinpas.
In het Nederlands zijn er meerdere namen voor de magnetische kaart voor geldopnames uit geldautomaten en betalingen via betaalautomaten. In Nederland is de meest gangbare term voor zo’n kaart pinpas. Ook bankpas is een frequent gebruikt woord. Minder gebruikelijk, maar ook standaardtaal in Nederland, zijn betaalpas en giropas.
(1) Gisteren wilde ik met mijn pinpas betalen, maar ik had mijn portefeuille niet bij me. [standaardtaal in Nederland]
(2) Sinds ik een bankpas heb, sta ik altijd in het rood. [standaardtaal in Nederland]
In België wordt pinpas niet gebruikt. Daar spreekt men algemeen van een bankkaart.
(3) Als je bankkaart gestolen wordt, moet je meteen naar een speciaal nummer bellen. [standaardtaal in België]
In het Nederlands komt ook de algemenere term betaalkaart voor. Betaalkaart kan naar drie types van kaarten verwijzen: een pinpas of bankkaart, een creditcard of kredietkaart of een betaalcheque.
Kredietkaart / creditcard
Lidkaart / ledenkaart / ledenpas / lidmaatschapskaart
Onze Taal. Bankkaart? Geraadpleegd op 20 augustus 2005 via http://www.onzetaal.nl/advies/bankkaart.php.
| pinpas | bankkaart | betaalkaart | bankpas | betaalpas | |
| Grote Van Dale (2005) | betaalkaart | (alg.Belg.N.) betaalkaart (3) | 1 betaalcheque 2 creditcard 3 magneetkaart, smartcard (met pincode) voor geldopnames uit geldautomaten en voor betalingen via betaalautomaten, syn. pinpas | 1 betaalpas van een rekeninghouder bij een bank | 1 legitimatiebewijs dat iem. moet laten zien als hij met een betaalcheque betaalt (…) 2 pas waarmee elektronisch betaald kan worden |
| Van Dale Hedendaags Nederlands (2002) | 1 betaalpas van bank of giro, met pincode | 1 (Belg.) betaalpas | 1 girobetaalkaart (= 1 (Ned.) betaalcheque, door de Postbank gegarandeerd tot een maximum bedrag (in gebruik tot 1-1-2002), syn. betaalkaart) | 1 betaalpas van een rekeninghouder bij een bank | 1 legitimatiebewijs dat iem. moet laten zien als hij met een betaalcheque betaalt, syn. bankkaart, hyperoniem bankpas, giropas, pinpas |
| Verschueren (1996) | betaalpas met een pincode | Z.N. 1. betaalpas 2. betaalkaart | door de postdienst uitgegeven betaalcheque | betaalpas van iemand die een rekening bij een bank heeft | plastic kaartje met magneetstrip waarmee de gebruiker van een betaalcheque zich legitimeert: de bankpas, giromaatpas en giropas zijn –sen |
| Koenen (1999) | bank- of giropas met pincode | bankpas | door de Postbank uitgegeven betaalcheque | kaart met elektronisch leesbare informatie om bij banken of geldautomaten geld op te kunnen nemen | bank- of giropas |
| Kramers (2000) | bank- of giropas met daarop een pincode | door een bank aan haar cliënten verstrekte betaalpas | formulier waarmee men, tot een bep. bedrag gegarandeerd, betalingen kan laten verrichten door een girodienst; vgl: betaalcheque | door een bank verstrekte betaalpas | door een bank of girodienst uitgegeven legitimatiebewijsvoor een cliënt die betaalcheques resp. betaalkaarten gebruikt |
| Woordenboek correct taalgebruik (2004), p. 24 | - | [B], 1) [NL] pinpas, bankpas, giropas; 2) betaalkaart, [NL] betaalpas; 3) creditcard | - | - | - |
| Vlaams-Nederlands woordenboek (2003) | - | betaalpas, betaalkaart | - | - | - |