Officiële spelling Nederlandse Taalunie

Onovergankelijk gebruik van overgankelijke werkwoorden (algemeen)


Elk werkwoord heeft bepaalde combinatiemogelijkheden. We zeggen bijvoorbeeld Het vriest (niet: Het vriest koud) en Ik geef een boek aan hem (niet: Ik geef). Die combinatiemogelijkheden noemen we de syntactische valentie van het werkwoord. Een aantal werkwoorden heeft in een zin altijd een lijdend voorwerp bij zich. Die werkwoorden noemen we overgankelijke werkwoorden. Werkwoorden die in een zin geen lijdend voorwerp bij zich kunnen hebben, zijn onovergankelijke werkwoorden.

(1a) Je krijgt een appel. (overgankelijk)

(2a) De boom groeit. (onovergankelijk)

Veel werkwoorden worden ofwel altijd overgankelijk, ofwel altijd onovergankelijk gebruikt. Krijgen heeft bijvoorbeeld altijd een lijdend voorwerp bij zich, en groeien kan nooit een lijdend voorwerp bij zich hebben.

(1b) Je krijgt. (uitgesloten)

(2b) De boom groeit een appel. (uitgesloten)


Er zijn ook heel wat werkwoorden die zowel overgankelijk als onovergankelijk gebruikt kunnen worden.

- Een aantal werkwoorden, bijvoorbeeld eten, lezen, roken verdienen, kunnen met en zonder lijdend voorwerp gebruikt worden, terwijl het onderwerp hetzelfde blijft.

(3a) Katja is spaghetti aan het eten.

(3b) Katja is aan het eten.

(4a) Hij rookt een pakje sigaretten per dag.

(4b) Hij rookt al sinds zijn vijftiende.

- Werkwoorden als breken, smelten, bewegen, scheuren kunnen afhankelijk van de betekenis en het soort onderwerp waarmee ze gecombineerd worden, zowel overgankelijk als onovergankelijk gebruikt worden. Het lijdend voorwerp (bv. glas in (5a)) in een zin met zo'n overgankelijk gebruikt werkwoord wordt onderwerp in een zin met een onovergankelijk gebruikt werkwoord.

(5a) Jonathan breekt het glas. (overgankelijk)

(5b) Het glas breekt. (onovergankelijk)

(6a) Ze smelt de chocolade. (overgankelijk)

(6b) De chocolade smelt. (onovergankelijk)

- Een aantal werkwoorden die gewoonlijk overgankelijk zijn, kunnen onovergankelijk gebruikt worden in zinnen waarin een oordeel of evaluatie wordt uitgedrukt met behulp van een bijwoordelijke bepaling (bv. mooi, goed, slecht). 

(7) Die kleuren combineren prachtig!

(8) De nieuwe iPhone verkoopt weer erg goed.

(9) Werken in de horeca betaalt nogal slecht.


Er lijkt een toename te zijn van werkwoorden die oorspronkelijk alleen overgankelijk gebruikt werden, maar nu ook onovergankelijk gebruikt worden. Bij sommige werkwoorden, bijvoorbeeld bij wijzigen en openen, is dat onovergankelijke gebruik algemeen aanvaard.

(10) De dienstregeling wijzigt volgende week.

(11) De nieuwe tentoonstelling opent volgende week.

In andere gevallen is het onovergankelijke gebruik (nog) niet algemeen aanvaard.

(12a) Je nagels beschadigen door het harde werk. (status onduidelijk)

(13a) Het apparaat schakelt automatisch uit. (status onduidelijk)

Wie zulke zinnen wil vermijden, kan vaak kiezen voor een passiefconstructie (met het werkwoord worden, zoals in (12b), en (13b)) of het onderwerp tot lijdend voorwerp van de zin maken (voorbeeld (12c)).

(12b) Je nagels worden door het harde werk beschadigd.

(12c) Het harde werk beschadigt je nagels.

(13b) Het apparaat wordt automatisch uitgeschakeld.


Zie ook

Communiceren: iets communiceren
Herinneren / zich herinneren
Irriteren / ergeren
Missen / ontbreken
Openen: het museum opent / wordt geopend
Uitzaaien / zich uitzaaien
Wijzigen: de situatie wijzigt
Zich bedenken / bedenken
Zich beseffen / beseffen

Naslagwerken

ANS (1997), p. 50-55 of online via de E-ANS; p. 76-77 of online; Geschiedenis van het Nederlands (1999), p. 143-144; Schrijfwijzer (2005), p. 198-200; Taalwijzer (2000), p. 54