Officiële spelling Nederlandse Taalunie

Wat is standaardtaal? (algemeen)

Taal en variatie
Standaardtaal
De taal als een ui
Wie bepaalt wat standaardtaal is?
De beschrijving van taalvariatie in Taaladvies.net
Hoe kunt u Taaladvies.net gebruiken?
Standaardtaal in Suriname


Taal en variatie Top

Een taal is geen vastliggende, maar een voortdurend veranderende verzameling klanken, woorden, uitdrukkingen en grammaticale constructies. Veranderingen zijn het meest opvallend op het niveau van woorden. Nieuwe woorden ontstaan (zoals sms'je, chatten), andere woorden verdwijnen (zoals pesjonkelen 'met Allerzielen gaan bidden in de kerk om de ziel van een overledene uit het vagevuur te redden' of gordijnmis 'berisping van een man door zijn vrouw toegediend achter de bedgordijnen').

Ook de uitspraak en de grammatica van een taal veranderen, al gaat dat meestal wat trager. Als gevolg van die veranderingen is er een groot verschil tussen het Nederlands van nu en het Nederlands van de renaissance en dat Nederlands verschilt op zijn beurt wezenlijk van het Nederlands uit de vroege middeleeuwen.

Naast die variatie in de tijd is er op elk moment ook variatie binnen een taal. De meeste talen kennen heel wat verschillende variëteiten: taalsystemen die genoeg overeenkomst vertonen om tot één taal - in ruime zin - te worden gerekend, maar genoeg verschillen om van elkaar onderscheiden te kunnen worden. Dat geldt ook voor het Nederlands. Men onderscheidt - in de taalwetenschap en in het dagelijkse spraakgebruik - verschillende Nederlandse dialecten, regiolecten (taalvariëteiten van bepaalde regio's), sociolecten (taalvariëteiten van bepaalde sociale klassen), groepstalen enzovoort en de standaardtaal. Al die variëteiten zijn bruikbaar in een of meer specifieke gebruiksdomeinen. Zo kan een Oost-Vlaming in een Merelbeeks café tegen een toogmakker zin (1a) uitspreken:

(1a) Ek verkuup verscheilende sorten alme, gelijk tournaviezn, liern, okkers, moar uuk dingn veur de lochting, gelijk kurtwoaens en rikkn.

De toogmakker zal een dergelijke zin perfect normaal vinden en het gesprek voortzetten in het Merelbeekse dialect.

Stel nu dat dezelfde Oost-Vlaming een reclamefolder opstelt waarin hij dezelfde informatie wil meegeven aan zijn potentiële klanten. Wellicht zal de formulering dan luiden zoals in zin (1b):

(1b) Ik verkoop verschillende soorten gereedschap, zoals schroevendraaiers, ladders, emmers, maar ook zaken voor de moestuin, zoals kruiwagens en harken.

Er is geen haar op het hoofd van de verkoper dat eraan denkt de folder op te stellen in het Merelbeeks. Veel mensen zouden hem maar een vreemde vogel vinden, als ze al begrepen wat er in de folder stond. De verkoper zal dus zijn best doen om de tekst op te stellen in de standaardtaal.

Net zo kan een jongere tegen zijn vrienden zeggen dat hij zin heeft om eens stevig te boozen en te shaken of eens goed scheef te gaan, terwijl hij tegen een leerkracht wellicht zal zeggen dat hij 's avonds een pintje (in België) of een biertje (in Nederland) wil drinken en wil dansen of veel zal drinken.

De meeste taalgebruikers beheersen, zonder dat altijd zelf te beseffen, een aantal taalvariëteiten en ze wenden die kennis aan om het taalgebruik aan te passen aan de plaats waar ze zich bevinden, de gesprekspartner(s) of de doelgroep, de context en tal van andere factoren.


Standaardtaal Top

De standaardtaal is, net als de andere taalvariëteiten, een variëteit die geschikt is om gebruikt te worden in bepaalde situaties. We verstaan onder de Nederlandse standaardtaal het Nederlands dat algemeen bruikbaar is in het publieke domein, dat wil zeggen in alle belangrijke sectoren van het openbare leven, zoals het bestuur, de admi­nistratie, de rechtspraak, het onderwijs en de media. Anders uitgedrukt: de Nederlandse standaardtaal is het Nederlands dat algemeen bruikbaar is in contacten met mensen buiten de eigen vertrouwde omgeving (in zogenaamde secundaire relaties). Woorden, uitdrukkingen, uitspraakvormen of constructies die standaardtaal zijn, zijn dus in principe zonder problemen bruikbaar in de genoemde sectoren en situaties, zoals dat kan met zin (1b).

Dat wil niet zeggen dat de standaardtaal een vaststaande, statische vorm heeft. Wat tot de standaardtaal gerekend wordt, verandert door de tijd en er is op elk moment ook binnen de standaardtaal nog eens variatie. Soms bestaan er twee of meer woorden, uitdrukkingen of constructies om (min of meer) hetzelfde uit te drukken (bijvoorbeeld eb en laagwater) en sommige woorden kunnen op verschillende manieren uitgesproken worden (bijvoorbeeld de uitspraak van ansjovis met de klemtoon op de eerste of op de tweede lettergreep). De concrete realiseringen van zulke variabele verschijnselen – dus de verschillende woorden, constructies, uitspraakvormen – noemt men varianten. De variatie in de standaardtaal is vaak geografisch of stilistisch bepaald.

Geografische variatie binnen de standaardtaal is duidelijk merkbaar tussen België en Nederland. Een Nederlander heeft het over een pinpas, een Belg over een bankkaart, een Nederlander die het niet meer ziet zitten, noemt zijn therapeut een [terapuit], terwijl een Belg het over een [terapeut] heeft en een constructie als Er kwam een auto aangereden wordt veel vaker gebruikt in de zuidelijke helft van het taalgebied dan in de noordelijke, waar vaker Er kwam een auto aanrijden te horen is. Hoewel er dus variatie is, worden al de bovenstaande taalvormen tot de standaardtaal gerekend. Net zo is er variatie binnen de standaardtaal tussen het oosten en het westen van het taalgebied, tussen Limburg en Zeeland, enzovoort.

Een goed voorbeeld van stilistische variatie is het verschil tussen geschreven en gesproken standaardtaal. Een zin als Aangezien wij aanstaande week vijf jaar gehuwd zijn, nodigen wij u alsook uw partner uit op een diner in onze woonst is goed mogelijk in een formele geschreven uitnodiging, maar is niet echt gepast in een gesprek.

Dé standaardtaal als een objectief gegeven vaststaande norm bestaat dus niet. Ook binnen de standaardtaal is er variatie binnen het taalgebied, hoewel die een stuk minder groot is dan de variatie tussen de verschillende dialecten, regiolecten, jongerentalen, et cetera.


De taal als een ui Top

We kunnen het Nederlands (en de meeste andere talen) met zijn variëteiten weergeven in de vorm van een ui, met verschillende lagen. Hoe meer naar buiten een laag zich bevindt, hoe groter de stilistische en geografische variatie in die laag is.

Om te beginnen is er een kern, de standaardtaal zonder meer, die bestaat uit woorden, uitdrukkingen, klanken, vormen en constructies die algemeen bruikbaar zijn in het publieke domein in het hele taalgebied en in alle situaties. Denk daarbij aan woorden als appel, hond, mooi, maar en spelen of uitdrukkingen als iemand de hand boven het hoofd houden of van een mug een olifant maken.

Zoals we hierboven al zeiden, is er binnen die standaardtaal al enige variatie. Denk daarbij om te beginnen aan het verschil tussen gesproken en geschreven standaardtaalgebruik. De woorden echter en maar zijn beide bruikbaar in het publieke domein, maar echter zal vooral in geschreven taalgebruik opduiken, terwijl maar zowel in geschreven als in gesproken taalgebruik wordt gebruikt.

Daarnaast moeten we voor het Nederlands nog rekening houden met de bijzondere situatie dat ons taalgebied bestaat uit twee grote deelgebieden: Nederland en Nederlandstalig België (Suriname laten we hier voorlopig buiten beschouwing; zie verderop). Voor het grootste deel is de standaardtaal in beide gebieden identiek, maar het behoeft geen betoog dat er ook verschillen zijn. Vooral op het gebied van de uitspraak zijn die verschillen bij sprekers meestal meteen duidelijk. Maar zoals we hierboven al aangaven, is er ook op het vlak van de woordenschat en de grammatica variatie. Hoewel veel van die verschillen meteen in het oog springen, staan ze een principiële eenheid van het taalgebied niet in de weg. De standaardtaal is voor het grootste deel gelijk in Nederland en België en de verschillen die voorkomen zijn vaak gradueel. In een aantal gevallen echter komen er varianten voor die ofwel alleen maar in België ofwel alleen maar in Nederland een standaardtalig karakter hebben. Het gaat dan om varianten die ofwel algemeen bruikbaar zijn in het publieke domein in Nederland, maar niet in België, en omgekeerd om varianten die algemeen bruikbaar zijn in het publieke domein in België, maar niet in Nederland.

We kunnen de kern van de ui, of de verzameling die we standaardtaal noemen, geografisch beschouwd voorstellen als twee deelverzamelingen (Nederland en Nederlandstalig België) met een enorme doorsnede en twee kleinere stukjes standaardtaalgebruik, het ene typisch voor Nederland, het andere typisch voor België. Figuur 1 illustreert de situatie van de standaardtaal in het Nederlandse taalgebied.


Figuur 1

In een tweede laag van de ui bevindt zich het taalgebruik dat op de grens zit tussen standaardtaal en geen standaardtaal. Het gaat daarbij meestal om taaluitingen die in min of meerdere mate typisch zijn voor bepaalde streken of stilistische omstandigheden, maar niet in die mate dat alle standaardtaalsprekers ze verwerpen als ongewoon of ongepast of dat geen enkele standaardtaalspreker ze hanteert. Sommige standaardtaalsprekers gebruiken bepaalde taalelementen uit dat grensgebied, andere gebruiken ze niet, maar vallen er niet over, nog andere vinden ze niet kunnen. Afhankelijk van het aantal standaardtaalsprekers dat dergelijke varianten gebruikt, bevinden die zich dichter of verder van de kern. Op het vlak van de woordenschat gaat het bijvoorbeeld in België om woorden of uitdrukkingen als frigobox en allergisch zijn aan. Ook op het vlak van de uitspraak en de grammatica zijn er gevallen waarbij men een bepaalde uitspraak of een bepaalde constructie op de grens kan situeren. De uitspraak van het zogenaamde Poldernederlands ([blaajf baaj maaj]) in Nederland is daarvan een goed voorbeeld.

Ten slotte is er de buitenlaag van de ui: het taalgebruik dat met zekerheid buiten de standaardtaal valt. Dergelijke taaluitingen zijn stilistisch of geografisch te gemarkeerd. Dat betekent dat standaardtaalsprekers ze doorgaans niet zullen gebruiken en als ze gebruikt worden in een context waarin standaardtaal wordt verwacht, vallen dergelijke uitingen meteen op als ongewoon of ongepast. Denk daarbij aan woorden als astreen ('binnenkort'), blaffeturen ('vensterluiken'), boks ('lange broek'), bekommering ('ongerustheid, bezorgdheid over') een grammaticale constructie als Hun hebben goed gespeeld of de uitspraak van het Platamsterdams of het Iepers.

Figuur 2 illustreert de taal als een ui.

Figuur 2

Zoals reeds gezegd is taal (en dus ook de standaardtaal) niet statisch. Binnen de grote cirkel van het taalgebruik is er voortdurend beweging van de rand naar het centrum en omgekeerd. Een nieuwe uitspraak, een nieuw woord of een nieuwe grammaticale constructie duikt meestal op in de rand. Soms dringt zo'n nieuwigheid door tot in de standaardtaal, soms blijft ze langere tijd hangen op de grens en soms verdwijnt ze weer uit het taalgebruik. Omgekeerd kunnen woorden die standaardtaal zijn langzaamaan minder en minder gebruikt worden, waardoor ze opschuiven in de richting van de rand. Individuele taalverschijnselen hebben ook niet voor iedereen identiek dezelfde plaats binnen de cirkel. Wat voor de ene standaardtaalspreker perfect aanvaardbaar is, is dat voor een andere (nog) niet. Een woord als tijger wordt door iedere standaardtaalspreker gebruikt en geaccepteerd, een woord als astreen door geen enkele. Een constructie die op weg lijkt binnen te dringen in de standaardtaal, maar voorlopig nog niet door iedereen wordt aanvaard is bijvoorbeeld het nijlpaard wat ik gisteren gezien heb. Het is ook niet ondenkbaar dat de in Nederland verspreid voorkomende constructie Hun hebben goed gespeeld alvast in Nederland op weg is naar het centrum, dus naar (de kern van) de standaardtaal.


Wie bepaalt wat standaardtaal is? Top

Wie het bovenstaande leest, zou kunnen denken dat de standaardtaal een bewust geconstrueerde taal is, die men voor het gemak gemaakt heeft om een taal te hebben die in het hele taalgebied bruikbaar is. Dat is niet het geval. De standaardtaal is geen geconstrueerde taal, maar een levende taalvariëteit, die vanzelf tot stand komt door een samenspel van maatschappelijke factoren en die gesproken en geschreven wordt door mensen met een zeker prestige in de samenleving. Die groep mensen wordt de spraakmakende gemeente genoemd.

Die spraakmakende gemeente is dus niet een meerderheid van de bevolking, maar een niet duidelijk af te bakenen groep gezaghebbende schrijvers en sprekers die in de publieke, sociaal-culturele sector een belangrijke rol spelen. Denk daarbij aan journalisten, schrijvers, leerkrachten, radio- en televisiepresentatoren, acteurs, politici. Het taalgebruik van die toonaangevende groep taalgebruikers wordt door anderen meestal onbewust, maar ook wel bewust als norm geaccepteerd. Dat taalgebruik krijgt op die manier de status van standaardtaal. Voorbeelden van het gebruik van de standaardtaal zijn makkelijk te vinden. Je hoeft ervoor maar een krant open te slaan of naar het radio- of televisiejournaal te luisteren.


De beschrijving van taalvariatie in Taaladvies.net Top

In taaladviezen op Taaladvies.net komt vaak de vraag naar de correctheid van bepaalde woorden en uitdrukkingen aan de orde. De onderliggende vraag is daarbij eigenlijk: is een bepaalde variant standaardtaal of niet? Het antwoord op die vraag baseren we niet op onze eigen overtuiging van wat we standaardtaal vinden en wat niet. Wel proberen we systematisch een realistische beschrijving te geven van het standaardtaalgebruik of met andere woorden het taalgebruik van de spraakmakende gemeente.

Dat dat niet altijd even eenvoudig is, mag duidelijk zijn. Bij zo'n beschrijving wordt verwacht dat we een indeling maken tussen wat standaardtaal is en wat geen standaardtaal is. Door het taalgebruik op zo'n ongenuanceerde manier weer te geven, doen we de taalrealiteit geweld aan: taal is immers een continuüm waarbinnen niet altijd scherpe grenzen getrokken kunnen worden. Om dat continuüm adequater weer te geven, beschrijven we naast de traditionele tweedeling 'standaardtaal' en 'geen standaardtaal' ook een grenscategorie. Daarin vallen de taalvarianten waarvan het ons niet duidelijk is of we ze - op dit moment - met zekerheid tot de standaardtaal kunnen rekenen of net niet.

Daarnaast houden we ook rekening met de bijzondere geografische situatie binnen de Nederlandse standaardtaal. We beschrijven zowel het taalgebruik van de spraakmakende gemeente in Nederland als dat van de spraakmakende gemeente in België. We onderscheiden dus 'standaardtaal' (in het hele taalgebied), 'standaardtaal in België' en 'standaardtaal in Nederland'.

We benoemen de varianten op vijf verschillende manieren:

- Varianten die standaardtaal zijn in het hele taalgebied, krijgen in een advies het label 'standaardtaal'. Dergelijke varianten zijn algemeen bruikbaar in het publieke domein in Nederland en in België. Voorbeelden zijn: hond, van een mug een olifant maken

(Voor een aantal concepten uit België bestaat er geen woord in Nederland (bijvoorbeeld Grondwettelijk Hof, belfort, waterzooi), en omgekeerd bestaat er voor een aantal concepten uit Nederland geen woord in België (bijvoorbeeld waterschap, Koninginnedag, balkenbrij). Zulke cultuurgebonden woorden noemen we ook zonder meer standaardtaal.)

- Varianten die standaardtaal zijn in België, maar niet in Nederland, krijgen in een advies het label 'standaardtaal in België'. Varianten met dit label zijn in principe algemeen bruikbaar in het publieke domein in België. Standaardtaal in België zijn bijvoorbeeld wisselstukken, lidkaart en schepen.

- Varianten die standaardtaal zijn in Nederland, maar niet in België, krijgen in een advies het label 'standaardtaal in Nederland'. Varianten met dit label zijn in principe algemeen bruikbaar in het publieke domein in Nederland. Voorbeelden zijn pinpas, fileparkeren, koopavond en wethouder.

- Van varianten waarvan het ons niet duidelijk is of ze tot de standaardtaal (in België, in Nederland of in het hele taalgebied) gerekend kunnen worden, geven we de onduidelijke status expliciet aan en daarbij noemen we andere varianten die in elk geval standaardtaal zijn. Voorbeelden van varianten met een onduidelijke status zijn lavabo, depannage. Ze bevinden zich ergens in het grensgebied.

- Varianten die geen standaardtaal zijn, noemen we in de adviezen dan ook 'geen standaardtaal'. Dergelijke varianten zijn niet algemeen bruikbaar in het publieke domein van België en Nederland. Voorbeelden zijn astreen, tas (in de betekenis 'kopje') en Hun hebben dat gedaan.


Hoe kunt u Taaladvies.net gebruiken? Top

Op basis van deze beschrijving stellen we u in staat uw eigen keuzes te maken. U beslist zelf of u een bepaalde variant al dan niet geschikt acht in een specifieke context. In de adviezen krijgt u in de eerste plaats een antwoord op de vraag of iets standaardtaal is of niet. In publicaties die gericht zijn op een publiek in het hele taalgebied kunt u bijvoorbeeld beslissen om varianten met het label 'standaardtaal in België' of 'standaardtaal in Nederland' te vermijden. In teksten die voor een specifiek Belgisch publiek bestemd zijn, kunt u varianten met het label 'standaardtaal in België' bewust wel gebruiken, enzovoort. Ook met betrekking tot de grensgevallen moet u zelf uitmaken of u een variant in de context al dan niet gepast vindt. Er zijn verder ook omstandigheden te bedenken waarin het gebruik van dialect, regiolect, jongerentaal of in België van de zogenaamde tussentaal gepaster is dan het gebruik van de standaardtaal. Denk daarbij bijvoorbeeld aan de Merelbeekse tooghangers. De labels en de beschrijving van Taaladvies.net kunt u bij het maken van dergelijke keuzes als een hulpmiddel beschouwen.


Standaardtaal in Suriname Top

In de bovenstaande beschrijving hebben we het alleen gehad over het Nederlands in Nederland en België. Er zijn ook in Suriname en in beperkte mate op de Antillen nog sprekers van het Nederlands. Net zoals we kunnen spreken van 'standaardtaal in Nederland' en 'standaardtaal in België' is het mogelijk in bepaalde gevallen te spreken van 'standaardtaal in Suriname'. Woorden als ijsappel ('gekoeld ingevoerde en bewaarde appel'), dievenijzer ('hekwerk voor deuren en ramen om inbraak tegen te gaan'), buitenvrouw ('soort minnares') en pinaren ('het moeilijk hebben, te kort komen') komen daarvoor wellicht in aanmerking.

Het Surinaamse deel van het Nederlandse taalgebied wordt in de adviezen voorlopig buiten beschouwing gelaten omdat het Nederlands er maatschappelijk heel anders functioneert dan in België en Nederland. Hoewel het Nederlands in Suriname de officiële taal is, die gebruikt wordt in het onderwijs, de wetgeving, het bestuur en de administratie, is het er in veel gevallen niet de moedertaal van de bevolking. De meeste Surinamers hebben als moedertaal het Hindi, het Javaans, het Chinees of een van de ongeveer twintig talen die in Suriname gesproken worden. Die moedertaal wordt gesproken met familieleden en met mensen met dezelfde etnische achtergrond. Daarnaast is er ook nog het Sranantongo, dat door nagenoeg alle Surinamers gesproken wordt bij contacten tussen personen uit de verschillende etnische groepen. Het Nederlands wordt in Suriname dus beperkter gebruikt dan in België en Nederland, al is er wel een groeiende groep mensen die het Nederlands ook als moedertaal heeft.

Een ander belangrijk kenmerk van het Surinaamse taalgebied is dat het niet grenst aan Nederland en België. Ook de bijzondere geografie van Suriname en als gevolg daarvan de bewoning van het land zijn mogelijk van belang voor de situatie van het Nederlands daar.

Een beschrijving van het Nederlands in Suriname moet dus rekening houden met tal van factoren die niet relevant zijn voor België en Nederland. De situatie van het Nederlands (en dus ook van de standaardtaal) in Suriname verschilt in die mate van die in België en Nederland dat het een aparte beschrijving verdient in een aparte tekst.

Vooralsnog zijn in Taaladvies.net ook geen adviezen opgenomen die betrekking hebben op specifiek Surinaamse kwesties. Het is de bedoeling de taaladviesbank in de toekomst met zulke gevallen uit te breiden en in bestaande adviezen waar mogelijk ook aan de Surinaamse taalsituatie recht te doen.

Werkwijze: welke varianten hebben standaardtaalkarakter?

Bronnen

Heestermans, H. (1999). Vergeten woorden: Onze Taal Taalcahiers. Den Haag: Sdu.

Naslagwerken

ANS (1997), p. 16 of online via de E-ANS; Taalboek Nederlands (2003)