Officiële spelling Nederlandse Taalunie

Vorming van voltooide tijden met hebben / zijn (algemeen)

Hulpwerkwoorden van tijd
Vervoeging met 'zijn'
Vervoeging met 'hebben'
Vervoeging zowel met 'hebben' als met 'zijn'


1. Hulpwerkwoorden van tijd Top

Een precieze beregeling van het gebruik van de hulpwerkwoorden hebben en zijn in de voltooide tijden die alle individuele werkwoorden dekt, is moeilijk te geven. Wel kunnen enkele algemene regels en tendenties aangegeven worden. De keuze voor hebben of zijn hangt samen met de betekenis van het zelfstandig werkwoord en de vraag of dat werkwoord overgankelijk dan wel onovergankelijk gebruikt is. De beschrijving die hierna volgt, heeft voornamelijk betrekking op categorieën van werkwoorden. Enkele afzonderlijke werkwoorden worden in aparte adviezen behandeld.


2. Vervoeging met 'zijn' Top

Met het hulpwerkwoord van tijd zijn worden vervoegd:

a. onovergankelijke werkwoorden die een verandering van toestand van het onderwerp uitdrukken (vergelijk met paragraaf 3b)

De ANS noemt als voorbeelden de werkwoorden aankomen, bevriezen, gaan ('zich verplaatsen'), groeien, komen, ontsnappen, opstaan, rijzen, schrikken, sterven, stijgen, stikken, vallen, verdorren, vergrijzen, verouderen, verschijnen, verstommen, vertrekken, vluchten en worden. Voorbeeldzinnen zijn:

(1) Wanneer zijn jullie aangekomen?

(2) Meteen na de toespraak van de voorzitter ben ik ook maar gegaan/vertrokken.

(3) We zijn erg van zijn reactie geschrokken.

(4) Door de langdurige droogte waren alle planten verdord.

(5) De veroorzaker van het ongeluk is gevlucht.

(6) Zoals te verwachten was, is het niets meer geworden.

Opgehouden te bestaan (het heeft / is -)

b. de werkwoorden blijken, blijven, gebeuren, geschieden, (ge)lukken, mislukken, slagen, voorvallen en zijn, bijvoorbeeld:

(7) Hoelang ben je nog gebleven?

(8) Wanneer is dat gebeurd/voorgevallen?

(9) De proefnemingen zijn door berekeningsfouten totaal mislukt.

(10) We zijn dit najaar in Madrid geweest.


3. Vervoeging met 'hebben' Top

Met het hulpwerkwoord van tijd hebben worden vervoegd:

a. alle overgankelijke werkwoorden, bijvoorbeeld:

(11) Ik heb vandaag twee artikelen gelezen.

(12) De politie heeft de inbrekers gearresteerd.

(13) Ze hadden uit tal van huizen cheques en juwelen gestolen.

(14) Hebben jullie kinderen de bof gehad?

(15) Joris heeft een mooi schilderij gemaakt.

Een bijzondere categorie hierbij vormen de wederkerende werkwoorden. Ook die worden allemaal met hebben vervoegd, bijvoorbeeld:

(16) Heb je je al gewassen?

(17) Hij had zich vergist.

Uitzonderingen: enkele overgankelijke werkwoorden worden met zijn vervoegd, namelijk beginnen, kwijtraken, naderen en tegenkomen. Voorbeelden:

(18) Gerard is een eigen adviesbureau begonnen.

(19) Waar ben jij je jas kwijtgeraakt?

(20) De astronauten waren de maan tot op honderd kilometer genaderd.

(21) Vanmorgen zijn we onze vroegere buren op straat tegengekomen.

Vergeten (ik ben / heb het -)
Verloren (ik ben / heb het -)
Gevolgd (ik ben / heb hem -)

NB Het bovenstaande geldt alleen voor zinnen in de bedrijvende vorm. In zinnen in de lijdende vorm is het hulpwerkwoord van tijd in de voltooide tijd altijd zijn, bijvoorbeeld:

(22) De inbrekers zijn (door de politie) gearresteerd.

(23) Is de baby al gewassen?

Zijn hoort hier bij het niet uitgedrukte geworden (zie voor worden paragraaf 2a).

b. de onovergankelijke werkwoorden die geen verandering van toestand van het onderwerp uitdrukken (vergelijk met paragraaf 2a), bijvoorbeeld:

(24) De was heeft de hele dag op het rek gehangen.

(25) Heb je lekker geslapen?

(26) De zon heeft vandaag helemaal niet geschenen.

Een aparte categorie hierbij zijn de onpersoonlijke werkwoorden (die als onderwerp het niet-verwijzende voornaamwoord het hebben), zoals de werkwoorden die een natuurgebeuren uitdrukken, bijvoorbeeld:

(27) Het heeft erg hard geregend.


4. Vervoeging zowel met 'hebben' als met 'zijn' Top

Er zijn twee groepen van werkwoorden die zowel met hebben als met zijn vervoegd kunnen worden:

a. werkwoorden die zowel overgankelijk als onovergankelijk gebruikt kunnen worden

De ANS noemt als voorbeelden van deze groep: bedaren, eindigen, genezen, minderen, smelten, stoppen, trouwen, veranderen, verbranden, vermeerderen, verminderen en verteren. Bij overgankelijk gebruik worden deze werkwoorden met hebben vervoegd, bij onovergankelijk gebruik met zijn. Vergelijk:

(28a) De deken heeft zijn eigen neef getrouwd. ('in de echt verbonden', overgankelijk)

(28b) Sofie en Pierre zijn vorige week dan toch maar getrouwd. (onovergankelijk)

(29a) De architect heeft het oorspronkelijke ontwerp grondig veranderd. (overgankelijk)

(29b) Ze was na haar terugkomst uit Afrika heel erg veranderd. (onovergankelijk)

b. werkwoorden van beweging, zoals fietsen, gaan, kruipen, lopen, reizen, vliegen

Staat de handeling zelf centraal, dan worden deze werkwoorden met hebben vervoegd. Als de verandering van plaats of de richting (met het te bereiken doel) centraal staat, dan worden ze met zijn vervoegd. Vergelijk:

(30a) We hebben een uurtje in de Ooijpolder gefietst.

(30b) Vanuit Nijmegen zijn we de Ooijpolder in gefietst.

(31a) Ik heb nog nooit gevlogen.

(31b) Ik ben met Sabena van Brussel naar Rome gevlogen.

Naslagwerken

ANS (1997), p. 73-78 of online via de E-ANS; Correct Taalgebruik (1997), p. 84; Handboek Verzorgd Nederlands (1996), p. 225-227; Ik schrijf zonder fouten (1996), p. 71-74; Strategisch rapporteren (1993), p. 314-315; Schrijfwijzer (1995), p. 110-111; Taalboek Nederlands (1997), p. 150-151