Officiële spelling Nederlandse Taalunie

Gaan / zullen (algemeen)

1. Inleiding
2. 'Gaan' versus 'zullen'
3. Het toenemende gebruik van 'gaan'


1. Inleiding Top

De gebruiksmogelijkheden van gaan als hulpwerkwoord zijn vrij complex en niet scherp af te bakenen. Voor een deel is de keuze voor gaan afhankelijk van de context.

Het hulpwerkwoord gaan kan in de standaardtaal altijd gebruikt worden in drie gevallen: als het onderwerp zich verplaatst om iets te doen, als er sprake is van het begin van een handeling of van een nieuwe toestand of als het onderwerp van plan is iets te doen.

In andere gevallen is het gebruik van gaan niet altijd voor iedereen aanvaardbaar. In Nederland komt gaan als hulpwerkwoord van de toekomende tijd vooral voor in spreektaal, in België is het gebruik algemener.

Als gaan niet mogelijk is, gebruiken we in de standaardtaal zullen of de tegenwoordige tijd om naar de toekomst te verwijzen.


2. 'Gaan' versus 'zullen' Top

In het algemeen kan men zeggen dat gaan zich het gemakkelijkst laat combineren met een handelingswerkwoord, dat een echte actie weergeeft: bellen, doen, zoeken, wandelen, koken enzovoort.

Grosso modo kunnen drie betekeniscategorieën onderscheiden worden waarbij het gebruik van gaan altijd mogelijk of zelfs verplicht is. In de voorbeeldzinnen (1) tot en met (5) en in zin (9) is gaan het enige juiste werkwoord. In zin (6) tot en met (8) kan ook zullen worden gebruikt.

1. Het onderwerp verplaatst zich om iets te doen.

(1) Noah gaat morgen bij zijn vriendjes spelen.

(2) Als ik daar werk vind, ga ik er ook wonen.

2. Er is sprake van het begin van een handeling of van een nieuwe toestand.

De combinatie met gaan drukt dan de betekenis 'geleidelijk overgaan tot' of 'beginnen te' uit. Werkwoorden die een weersgesteldheid uitdrukken, worden bijvoorbeeld meestal met gaan gecombineerd.

(3) Als hij zijn zin niet krijgt, dan gaat hij schreeuwen.

(4) We moeten voortmaken, want de show gaat beginnen.

(5) Bekijk die grijze lucht. Het gaat sneeuwen.

3. Het onderwerp is van plan is om iets te doen, of er is een bepaald besluit genomen.

(6) We gaan/zullen haar eens een lesje leren.

(7) Ze gaan/zullen hem morgen opnieuw onderzoeken in het ziekenhuis.

(8) Ik ga/zal proberen om de volgende keer op tijd te komen.

Bij werkwoorden die een verandering van werkkring, woonplaats, status en dergelijke aanduiden, kan alleen gaan (en niet zullen) gebruikt worden.

(9) Stijn en Birgit gaan op 7 juni trouwen.

In andere gevallen, die qua betekenis niet in een van de bovenstaande drie categorieën thuishoren, wordt in de standaardtaal gewoonlijk het hulpwerkwoord zullen of de tegenwoordige tijd gebruikt om naar de toekomst te verwijzen.

(10a) Hopelijk zal iedereen aandachtig luisteren tijdens de speech.

(10b) Hopelijk luistert iedereen aandachtig tijdens de speech.


3. Het toenemende gebruik van 'gaan' Top

Gaan maakt ook meer en meer opgang als algemeen hulpwerkwoord van de toekomende tijd bij niet-handelingswerkwoorden zoals hebben, zijn, worden, moeten, krijgen enzovoort. Toch is dat gebruik van gaan niet in alle contexten en voor alle taalgebruikers aanvaardbaar. Dergelijk gebruik van gaan komt ten eerste meer in gesproken dan in geschreven taal voor. In België heeft het hulpwerkwoord gaan bovendien meer gebruiksmogelijkheden dan in Nederland. In wat volgt, kijken we naar de aanvaardbaarheid van enkele combinaties van gaan en een niet-handelingswerkwoord.

Gaan + worden

In combinatie met worden is gaan standaardtaal in het hele taalgebied.

(11) Hoe dit plan in de praktijk gerealiseerd gaat worden, blijft voorlopig onduidelijk.

Gaan + hebben/zijn

In de standaardtaal in België wordt gaan als hulpwerkwoord geregeld gecombineerd met hebben en zijn. Zeker in spreektaal is dat gebruik heel gewoon. Ook in Nederland wordt gaan weleens gebruikt in combinatie met die werkwoorden, maar voor veel taalgebruikers is dat niet acceptabel. Standaardtaal in het hele taalgebied is zullen of de tegenwoordige tijd.

(12a) Ik vraag me af of Jana ook op het feestje gaat zijn. [standaardtaal in België]

(12b) Ik vraag me af of Jana ook op het feestje zal zijn.

(13a) Als zij erven, gaan ze genoeg geld hebben om een huis te bouwen. [standaardtaal in België]

(13b) Als zij erven, hebben ze genoeg geld om een huis te bouwen.

Gaan + kunnen/mogen/moeten/willen/durven

Daarnaast wordt gaan in België, zeker in de spreektaal, ook vaak gecombineerd met een modaal hulpwerkwoord (kunnen, mogen, moeten, willen) of met het werkwoord durven. Ook dat gebruik is standaardtaal in België. In Nederland is dat gebruik niet algemeen aanvaard. Standaardtaal in het hele taalgebied is zullen of de tegenwoordige tijd.

(14a) Ze gaan daar heel braaf ja moeten knikken. [standaardtaal in België]

(14b) Ze zullen daar heel braaf ja moeten knikken.

(15a) Ik weet zeker dat ze dat gaat kunnen volhouden. [standaardtaal in België]

(15b) Ik weet zeker dat ze dat kan volhouden.

(16a) Dat ventje gaat waarschijnlijk niets meer durven zeggen. [standaardtaal in België]

(16b) Dat ventje zal waarschijnlijk niets meer durven zeggen.

Gaan + gaan

In de spreektaal in België wordt gaan soms ook als hulpwerkwoord gebruikt bij het bewegingswerkwoord gaan. Dat is geen standaardtaal.

(17) We gaan morgen naar Blankenberge gaan. (in België, geen standaardtaal)


Bronnen

Kraaikamp, M. (2009). Dat gaat anders worden! Gaan als hulpwerkwoord van de toekomende tijd. Onze Taal, 78, nr. 7/8, 208-209.

VRT.Taalnet. Gaan (als hulpwerkwoord). Geraadpleegd op 8 mei 2013 via http://www.vrt.be/taal/gaan-als-hulpwerkwoord.

Naslagwerken

ANS (1997), p. blz. 975-981 of online via de E-ANS; Grote Van Dale (2005); Woordenboek correct taalgebruik (2004), p. 88; Correct Taalgebruik (2006), p. 82; Prisma Handwoordenboek Nederlands (2009); Stijlboek VRT (2003), p. 93