Officiële spelling Nederlandse Taalunie

Tegenwoordige tijd of verleden tijd (algemeen)

Inleiding
Vormen
Gebruik van de onvoltooid tegenwoordige tijd
Gebruik van de onvoltooid verleden tijd
Voorzichtigheid
Verleden tijd of tegenwoordige tijd in bijzin


Inleiding Top

Elk werkwoord heeft twee hoofdvormen in de vervoeging: de tegenwoordige tijd en de verleden tijd. Simpel uitgedrukt zegt de tegenwoordige tijd iets over een handeling die zich op het moment van spreken afspeelt, en de verleden tijd iets over een handeling die zich al eerder heeft afgespeeld. Met de zin Irene werkt vandaag in Delft, bijvoorbeeld, wordt bedoeld dat op de dag waarop de zin wordt uitgesproken of geschreven, Irene in Delft werkt; deze zin bevat een werkwoord in de tegenwoordige tijd: werkt. Met de zin Irene werkte gisteren in Delft wordt verwezen naar een eerder moment dan dat waarop de zin wordt gesproken of geschreven; deze zin bevat een werkwoord in de verleden tijd: werkte.

De hierboven genoemde vormen werkt en werkte zijn respectievelijk een onvoltooid tegenwoordige tijd en een onvoltooid verleden tijd. In deze tekst wordt alleen ingegaan op het verschil tussen deze onvoltooide tijden. De voltooid tegenwoordige tijd en de voltooid verleden tijd (ik heb gewerkt, ik had gewerkt e.d.) komen in een andere tekst aan de orde.

Werkwoordstijden die iets over het verleden zeggen: voltooide versus onvoltooide tijden (algemeen)


Vormen Top

De werkwoordsvormen die bij de onvoltooid tegenwoordige tijd en de onvoltooid verleden tijd horen, zijn vaak te herkennen aan de uitgangen die achter de stam (het hele werkwoord zonder -en) worden geplaatst. De eerste persoon enkelvoud van de tegenwoordige tijd is in principe gelijk aan de stam, de tweede en derde persoon enkelvoud krijgen de uitgang -t, en de meervoudsvormen krijgen -en. De enkelvoudsvormen van de verleden tijd eindigen op -de of ­-te, en de meervoudsvorm op -den of -ten. Enkele voorbeelden:

hele werkwoord (infinitief)

stam

tegenwoordige tijd (presens)

verleden tijd (imperfectum)

werken

werk

ik werk, hij werkt, wij werken enz.

ik werkte, hij werkte, wij werkten enz.

stellen

stel

ik stel, hij stelt, wij stellen enz.

ik stelde, hij stelde, wij stelden enz.


Er zijn ook werkwoorden waarbij in de verleden tijd een deel van de stam verandert (bijvoorbeeld de klinker of de slotmedeklinker(s)); dit zijn de zogeheten sterke werkwoorden. Enkele voorbeelden:

hele werkwoord (infinitief)

stam

tegenwoordige tijd (presens)

verleden tijd (imperfectum)

zwijgen

zwijg

ik zwijg, hij zwijgt, wij zwijgen enz.

ik zweeg, hij zweeg, wij zwegen enz.

denken

denk

ik denk, hij denkt, wij denken enz.

ik dacht, hij dacht, wij dachten enz.


Gebruik van de onvoltooid tegenwoordige tijd Top

De tegenwoordige tijd wordt vaak gebruikt om een situatie in 'het nu' te beschrijven.

(1) Irene werkt vandaag in Delft.

(2) Het is een bewolkte dag.

Maar de tegenwoordige tijd heeft ook andere functies. Zo kan er een steeds terugkerende handeling of een algemeen geldende (in theorie oneindige) situatie mee worden uitgedrukt.

(3) Elke ochtend komt de zon op.

(4) Mijn vader eet nooit bloemkool.

(5) Venus en Mars zijn onze buurplaneten.

Ook kan de tegenwoordige tijd verwijzen naar iets wat in de (al dan niet nabije) toekomst ligt. Hiervoor kan ook de toekomende tijd met het hulpwerkwoord zullen of gaan worden gebruikt.

(6a) Morgen doe ik rijexamen.

(6b) Morgen zal ik rijexamen doen.

(6c) Morgen ga ik rijexamen doen.

(7a) Over een paar miljard jaar bestaat de aarde niet meer.

(7b) Over een paar miljard jaar zal de aarde niet meer bestaan.

Verder kan de tegenwoordige tijd ook iets uitdrukken wat in het verleden heeft plaatsgevonden. Dit komt relatief veel voor in historische beschrijvingen, om de tekst wat levendiger te maken en/of om een opeenvolging van verleden tijden te vermijden. Dit gebruik van de tegenwoordige tijd wordt wel 'praesens historicum' of 'historisch presens' genoemd.

(8) In 1584 wordt Willem van Oranje vermoord in Delft. De dader is Balthasar Gerards.

Ook wordt deze toepassing van de tegenwoordige tijd veel aangetroffen in gesproken taal, om de gebeurtenis wat prominenter te presenteren of het dramatisch effect wat te vergroten.

(9) Lig ik gisteren net lekker een dutje te doen, gaat opeens de telefoon!


Gebruik van de onvoltooid verleden tijd Top

De verleden tijd wordt zoals gezegd vaak gebruikt om een situatie te beschrijven die zich voor het moment van spreken of schrijven heeft afgespeeld.

(10) Irene werkte gisteren in Delft.

(11) Als kind woonde ik in Oudewater. Daar ging ik naar school en zat ik op volleybal.

Het kan om een eenmalige handeling gaan of een langere of kortere tijd durende situatie, zoals in (10) en (11), maar ook om een vaak terugkerende handeling of een algemeen geldende (in theorie oneindige) situatie die in het verleden van toepassing is geweest, maar inmiddels niet meer.

(12) Vroeger liepen de meeste Nederlanders op klompen.

(13) Een paar miljoen jaar geleden bestonden er nog geen mensen.

De verleden tijd kan ook uitdrukken dat de beschreven handeling of situatie op het spreekmoment niet tot de realiteit behoort, en vaak dat iemand graag zou willen dat het anders was.

(14) Was het maar weer zomer!

(15a) Als ik veel geld had, kocht ik een huis in Italië.

De niet-werkelijkheid in zinnen die met als beginnen, kan vaak ook met het hulpwerkwoord zou(den) worden uitgedrukt.

(15b) Als ik veel geld had, zou ik een huis in Italië kopen.

(15c) Als ik veel geld zou hebben, kocht ik een huis in Italië.

(15d) Als ik veel geld zou hebben, zou ik een huis in Italië kopen.


Voorzichtigheid Top

In bepaalde situaties kan zowel een tegenwoordige tijd als een verleden tijd worden gebruikt. Als de spreker bijvoorbeeld vindt dat de tegenwoordige tijd te stellig, te direct of te dwingend overkomt, zoals in de a-zinnen hieronder, kan hij voor de verleden tijd kiezen, die wat voorzichtiger overkomt, zoals in de b-zinnen.

(16a) Ik wil graag dat je met me meegaat.

(16b) Ik wou graag dat je met me meeging.

(17a) We moeten maar eens opstappen.

(17b) We moesten maar eens opstappen.

(18a) Ik denk dat je me nu wel begrepen hebt.

(18b) Ik dacht dat je me nu wel begrepen had.

(19a) Hoe is uw naam ook alweer?

(19b) Hoe was uw naam ook alweer?


Verleden tijd of tegenwoordige tijd in bijzin Top

Soms kan een bijzin een werkwoord in de verleden tijd bevatten omdat de hoofdzin ook een werkwoord in de verleden tijd bevat, ook al beschrijft de bijzin een situatie die nu nog steeds geldig is. Overigens kan in die bijzin dan ook een werkwoord in de tegenwoordige tijd worden gebruikt.

(20a) Ik zei tegen haar dat ze mooie ogen had.

(20b) Ik zei tegen haar dat ze mooie ogen heeft.

Galilei ontdekte dat de aarde rond de zon draait / draaide

Zie ook

Werkwoordstijden die iets over het verleden zeggen: voltooide versus onvoltooide tijden (algemeen)

Afwisseling werkwoordstijden
Galilei ontdekte dat de aarde rond de zon draait / draaide
Hij is / was / werd geboren in Hasselt
Ik woonde vroeger in Gent / heb vroeger in Gent gewoond
We ontvingen uw brief / hebben uw brief ontvangen
Werkwoordstijd in verslag

Naslagwerken

ANS (1997), p. 114-136 of online via de E-ANS en p. 1618-1619 of online, Onze Taal