Officiële spelling Nederlandse Taalunie

Werkwoordstijden die iets over het verleden zeggen: voltooide versus onvoltooide tijden (algemeen)

1. Inleiding
2. Vormen
3. Gebruik van voltooide en onvoltooide tijden om naar het verleden te verwijzen
     3.1 Algemeen
     3.2 Onvoltooid verleden tijd
     3.3 Voltooid tegenwoordige tijd
     3.4 Voltooid verleden tijd
     3.5 Onvoltooid tegenwoordige tijd
4. Andere functies van de onvoltooid en voltooid verleden tijd


1. Inleiding Top

Er zijn verschillende werkwoordstijden waarmee een gebeurtenis of situatie uit het verleden kan worden beschreven. De meestvoorkomende zijn de onvoltooid verleden tijd, zoals hij woonde, de voltooid tegenwoordige tijd, zoals hij heeft gewoond, en de voltooid verleden tijd, zoals hij had gewoond. Maar ook de onvoltooid tegenwoordige tijd (hij woont) kan soms gebruikt worden om naar het verleden te verwijzen.

In deze tekst komen de verschillende vormen aan bod en wordt uitgelegd welke vorm wanneer toegepast kan worden.


2. Vormen Top

De volgende vier werkwoordstijden komen in deze tekst ter sprake:

  1. de onvoltooid tegenwoordige tijd (of presens): hij woont, hij komt;

  2. de onvoltooid verleden tijd (of imperfectum): hij woonde, hij kwam;

  3. de voltooid tegenwoordige tijd (of perfectum): hij heeft gewoond, hij is gekomen;

  4. de voltooid verleden tijd (of plusquamperfectum): hij had gewoond, hij was gekomen.

De onvoltooid tegenwoordige tijd en onvoltooid verleden tijd worden gevormd op basis van de stam van het werkwoord. De voltooid tegenwoordige tijd en voltooid verleden tijd worden gevormd met een vervoegde vorm van het hulpwerkwoord hebben of zijn en een voltooid deelwoord. (In plaats van een voltooid deelwoord kan soms ook een infinitief optreden in de voltooide tijd, zoals in hij is gaan fietsen en ze had kunnen komen helpen, maar in deze tekst beperken we ons tot de basisvormen met een hulpwerkwoord en een voltooid deelwoord.)

De voorbeelden hierboven en in de rest van deze tekst staan in de bedrijvende vorm: de hij-persoon voert de handeling (wonen, komen) zelf uit. Bij de lijdende vorm – waarbij de hij-persoon de handelingen ondergaat – zien de werkwoordstijden er (met het werkwoord helpen) als volgt uit:

  1. de onvoltooid tegenwoordige tijd: hij wordt geholpen;

  2. de onvoltooid verleden tijd: hij werd geholpen;

  3. de voltooid tegenwoordige tijd: hij is geholpen;

  4. de voltooid verleden tijd: hij was geholpen.

Hierna komen de gebruiksmogelijkheden ter sprake.


3. Gebruik van voltooide en onvoltooide tijden om naar het verleden te verwijzen Top

3.1 Algemeen Top

De gewoonste manieren om naar het verleden te verwijzen, zijn de onvoltooid verleden tijd en de voltooid tegenwoordige tijd. Het belangrijkste verschil tussen deze twee is dat een onvoltooid verleden tijd vooral als verhalende beschrijving fungeert, zoals woonde, had en verhuisde in (1), en de voltooid tegenwoordige tijd vooral losse feiten benoemt, zoals heeft gewoond in (2). De voltooid tegenwoordige tijd duidt vaak een gebeurtenis uit het verleden aan die ook nu nog relevant is, zoals het vervolg van (2) laat zien.

(1) Karel woonde vroeger in Leiden. Hij had daar een goede baan en een leuk huis. Later verhuisde hij naar Velp. (verhalende beschrijving)

(2) Karel heeft vroeger in Leiden gewoond. Daarom kent hij die stad goed. (als losse mededeling, opzichzelfstaand feit)

Hieronder wordt daar wat dieper op ingegaan.

3.2 Onvoltooid verleden tijd Top

De onvoltooid verleden tijd wordt om te beginnen gebruikt om een aantal samenhangende, doorgaans opeenvolgende gebeurtenissen in het verleden te beschrijven; het gaat dan vaak om een verhalende context, bijvoorbeeld een boek, een levensbeschrijving of een recente (uit meerdere zinnen bestaande) gebeurtenis.

(3) Karel woonde en werkte vroeger in Leiden. Na de geboorte van zijn zoon verhuisde hij naar Amsterdam. Daar bleef hij wonen tot zijn werkgever hem een functie in het buitenland aanbood. In Ierland verbleef hij tot zijn pensioen. Daarna kwam hij terug naar Nederland, waar hij van een onbezorgde oude dag genoot.

(4) Ik was gisteren in Brussel. Het was de hele dag mooi weer.

Verder wordt de onvoltooid verleden tijd gebruikt om een gewoonte (zin 5), een werking van onbepaalde duur (zin 6) of een terugkerende gebeurtenis uit het verleden (zin 7) te beschrijven.

(5) Als kind hield hij van leverworst met hagelslag.

(6) Vorig jaar woonde haar vader nog in Gent.

(7) Mijn oma kwam vroeger elke vrijdag op bezoek.

3.3 Voltooid tegenwoordige tijd Top

De voltooid tegenwoordige tijd wordt gebruikt om een los feit, een enkelvoudige gebeurtenis te beschrijven. Het gaat dan vaak om iets wat recent heeft plaatsgevonden, maar het kan ook naar een wat verder verleden verwijzen. Vaak gaat het dan om een feit of voorval dat als afgerond wordt beschouwd.

(8) Ik heb gisteren een appeltaart gebakken. (Ongewoon in dit geval: Ik bakte gisteren een appeltaart.)

(9) Ze heeft als kind maar één keer bij haar opa en oma gelogeerd. (Ongewoon in dit geval: Ze logeerde als kind maar één keer bij haar opa en oma.)

Hier is overigens wel een regionaal verschil waar te nemen: in België wordt makkelijker voor de onvoltooid verleden tijd gekozen dan in Nederland. In Nederland zal een zin als (10b) minder snel voorkomen dan in België.

(10a) Hebt u al eerder iets bij de Hema gekocht?

(10b) Kocht u al eerder iets bij de Hema?

Een zin in de voltooid tegenwoordige tijd kan als introductie dienen voor een wat langere beschrijving van een gebeurtenis of een opeenvolging van gebeurtenissen in het verleden; de rest van die beschrijving staat dan vaak in de onvoltooid verleden tijd als het om een verhalende context gaat.

(11) Ik heb gisteren een appeltaart gebakken. Het rook daarna nog uren heerlijk in de keuken. Dat vond ook de rest van het gezin.

(12) Ze heeft als kind één keer bij haar opa en oma gelogeerd. Ze vond het er geweldig. Ze mocht elke dag kiezen wat ze wilde eten, ze mocht lekker laat naar bed en ze speelden veel spelletjes.

3.4 Voltooid verleden tijd Top

De voltooid verleden tijd wordt gebruikt in contexten die zelf al in het verleden spelen, en dan specifiek om een gebeurtenis aan te duiden die in een nog verder verleden heeft plaatsgevonden.

(13) Ik ben vanmorgen uitgegleden. Het had namelijk geijzeld.

(14) Vorig jaar woonde haar vader nog in Gent. Hij was daar in zijn jeugd naartoe verhuisd.

In (13) duidt de voltooid verleden tijd Het had namelijk geijzeld aan dat het op dat punt in het verhaal gestopt was met ijzelen; het ijzelde dus vóórdat de ik-persoon uitgleed. Met een zin in de onvoltooid verleden tijd, Het ijzelde namelijk, zou worden uitgedrukt dat het op het moment van uitglijden nog steeds aan het ijzelen was.

In voorbeeld (13) en (14) staat de tweede zin in de voltooid verleden tijd; de zin ervoor staat respectievelijk in de voltooid tegenwoordige tijd en in de onvoltooid verleden tijd. Zin (15) is een samengestelde zin, waarin de hoofdzin een onvoltooid verleden tijd bevat en de bijzin een voltooid verleden tijd.

(15a) Hij vertrok pas nadat hij iedereen een hand had gegeven.

(15b) Pas nadat hij iedereen een hand had gegeven, vertrok hij.

Nadat (hij vertrok - hij zijn toespraak hield / had gehouden)

3.5 Onvoltooid tegenwoordige tijd Top

Soms kan ook de onvoltooid tegenwoordige tijd gebruikt worden om iets te beschrijven wat in het verleden heeft plaatsgevonden. Het is stilistisch middel in een narratieve context, dat bijvoorbeeld relatief veel voorkomt in historische beschrijvingen, zoals in (16). Dit gebruik wordt wel 'praesens historicum' of 'historisch presens' genoemd.

(16) In 1584 wordt Willem van Oranje vermoord in Delft. De dader is Balthasar Gerards.


4. Andere functies van de onvoltooid en voltooid verleden tijd Top

De onvoltooid en voltooid verleden tijd verwijzen niet altijd naar een werkelijke gebeurtenis in het verleden. Ze kunnen elk ook een voorwaardelijke betekenis of anderszins een niet-werkelijke situatie (bijvoorbeeld een wens) uitdrukken, die veelal hetzelfde uitdrukt als een constructie met zou(den).

(17a) Als ik geld had, ging ik op reis.

(17b) Als ik geld zou hebben, zou ik op reis gaan.

(17c) Als ik geld had, zou ik op reis gaan.

(17d) Als ik geld zou hebben, ging ik op reis.

(18a) Het was beter geweest als je me even had geholpen.

(18b) Het zou beter zijn geweest als je me even zou hebben geholpen.

(18c) Het was beter geweest als je me even zou hebben geholpen.

(18d) Het zou beter zijn geweest als je me even had geholpen.

De onvoltooid verleden tijd en de voltooid verleden tijd kunnen ook een wens of niet-werkelijkheid uitdrukken die niet aan een voorwaarde verbonden is.

(19) Hield hij maar eens op met praten.

(20) Had ik daar maar op tijd aan gedacht.

Moest ik kunnen ...
Zou / zal (Het - je maar gebeuren)

Zie ook

Afwisseling van werkwoordstijden
Galilei ontdekte dat de aarde rond de zon draait / draaide
Werkwoordstijd in verslag

Naslagwerken

ANS (1997), p. 118-133 of online via de E-ANS, p. 1618-1619 of online en p. 1629-1630 of online, Onze Taal (2017), VRTtaal.net (2017)