Is het ik ben of ik heb het verloren?
Beide vervoegingen komen voor, maar kunnen niet in alle gevallen door elkaar worden gebruikt. Als de nadruk ligt op de gebeurtenis van het 'verliezen' ('kwijtraken'), heeft de vervoeging met hebben de voorkeur. Alleen als het resultaat van de handeling ('kwijt zijn') wordt benadrukt, is ook de vervoeging met zijn mogelijk, al is die niet voor alle taalgebruikers aanvaardbaar en komt ze meer in gesproken dan in geschreven taal voor.
Het werkwoord verliezen wordt in de voltooide tijd meestal met hebben en soms met zijn vervoegd. Anders dan bij het werkwoord vergeten is de vervoeging met hebben altijd mogelijk. Deze vervoeging is zelfs de enig juiste als de gebeurtenis van het 'verliezen' ('kwijtraken') vooropstaat.
(1) Bij het ongeluk heeft hij zijn ouders verloren.
(2) Heb je je tong verloren?
Als het resultaat van het 'kwijtraken' wordt benadrukt, heeft verloren de betekenis 'kwijt zijn'; alleen in dit geval is de vervoeging met zijn mogelijk:
(3) Hij was al zijn aantekeningen verloren.
De Schrijfwijzer beschouwt verloren zijn echter als een contaminatie van verloren hebben en kwijt zijn en keurt de vervoeging met zijn dan ook af. Ook Van Dale geeft alleen de vervoeging met hebben.
Vorming van voltooide tijden met hebben / zijn (algemeen)
Gevolgd (ik ben / heb hem -)
Gewonnen (ik ben / ik heb -)
Opgehouden (ik heb / ben -)
Vergeten (ik ben / heb het -)
| Schrijfwijzer (1995), p. 93 | ben verloren Deze contaminatie geldt nog als fout: Je bént iets kwijt of je hébt iets verloren. |
| Handboek Verzorgd Nederlands (1996), p. 227 |
Ook verliezen kan met een klein betekenisverschil zowel met hebben als met zijn vervoegd worden. In [a] ligt de nadruk op de handeling 'verliezen', terwijl in [b] de toestand na het verliezen benadrukt wordt. Verloren betekent hier 'kwijt zijn': [a] Het Tweede-Kamerlid had al zijn stukken verloren. [b] Hij was al zijn stukken verloren. |
| Prisma Stijlboek (1993), p. 255 | verliezen 1 (verloor, h. verloren) kwijt raken (het gaat om de gebeurtenis, er staat dikwijls een tijds- en/of plaatsbepaling bij: Gisteren moet ik op het station mijn aansteker verloren hebben; 2 (verloor, is verloren) kwijt zijn (het gaat om de toestand, de situatie): Ik ben al een paar dagen mijn aansteker verloren. |
| Taalbaak 104.3 | Ik ben verloren/ik heb verloren: hier geldt hetzelfde als voor vergeten, zij het dat het betekenisverschil hier iets subtieler is. In Ik ben mijn portemonnee verloren ligt de nadruk op de toestand: de portemonnee is er niet meer. In Ik heb mijn portemonnee verloren ligt de nadruk op de handeling van het 'verliezen'. Ook bij verliezen wordt de zijn-vervoeging steeds vaker voor beide betekenissferen gebruikt. |
| Grote Van Dale (2005) | verliezen ((...) h. verloren) |
| ANS (1997), p. 79 |
Het werkwoord verliezen wordt meestal met hebben vervoegd. Zijn komt ook als hulpwerkwoord voor, maar eerder in gesproken dan in geschreven taal. Het gebruik van zijn is niet altijd voor iedereen aanvaardbaar, maar er hoeft geen bezwaar tegen gemaakt te worden. (...) Bij de uitdrukking iemand/iets uit het oog verliezen is het gebruik van zijn gewoon. |