Wordt thuiswonend aaneengeschreven in de thuis wonende/thuiswonende ouderen?
Ja. Thuiswonend in de thuiswonende ouderen beschouwen we als een samengesteld bijvoeglijk naamwoord.
In het Nederlands schrijven we een samenstelling aan elkaar en een woordgroep los. Soms is echter moeilijk uit te maken of een verbinding een samenstelling of een woordgroep vormt. Dat geldt ook voor thuiswonend, een combinatie van een bijwoord + een deelwoord.
In thuiswonend horen we maar één hoofdklemtoon (thúíswonend). Dat wijst erop dat we met één woord te maken hebben. Horen we twee klemtonen, zoals in Ik kan toch niet mijn hele leven thúís wónen!, dan hebben we te maken met een woordgroep. Het verschil is ook duidelijk in: Zoiets kun je toch niet góédvinden? (één accent, dus één woord) en Kon je de weg góéd vínden? (twee accenten dus twee woorden)
Vergelijkbare voorbeelden zijn alleenwonende kinderen, thuiswerkende vrouwen en thuisspelende ploeg.
Woordgroep of samenstelling? (Leidraad 6.8)
Levendgeboren / levend geboren
Rekeninghoudend met / rekening houdend met
Veel gebruikt / veelgebruikt
Veelbelovend (trappen van vergelijking)