Zegt men: Het schrok me af of Het schrikte me af?
Correct is: Het schrikte me af.
Het onovergankelijke schrikken is een sterk werkwoord: de verledentijdsvorm is schrok, het voltooid deelwoord is geschrokken. Schrikken komt echter ook in een bepaalde betekenis in overgankelijk gebruik voor en heeft dan een zwakke vervoeging: ze schrikte de eieren onder koud water (gewoner is ze deed de eieren onder koud water schrikken).
Dit onderscheid gaat ook op voor de werkwoorden die van schrikken zijn afgeleid. Afschrikken is overgankelijk en kent alleen een regelmatige (zwakke) vervoeging: het schrikte me af, zij werden daardoor afgeschrikt. Verschrikken kan evenwel net als schrikken zowel overgankelijk als onovergankelijk zijn. In het laatste geval heeft het werkwoord een sterke vervoeging: hij (ver)schrok van dat bericht. Als verschrikken net als afschrikken overgankelijk is, wordt het zwak vervoegd: die verschijning verschrikte hem.
Werkwoorden met een zwakke en een sterke vervoeging (algemeen)
Schrik hebben / bang zijn
Uitgeplozen / uitgepluisd
Zegden / zeiden
Zweren: zwoor / zwoer / zweerde
ANS (1997), p. 90; Taalbaak 68.5; Grote Van Dale (2005); Prisma Stijlboek (1993), p. 226