Officiële spelling Nederlandse Taalunie

Rijbaan / rijstrook

Vraag

Is rijbaan een synoniem van rijstrook?

Antwoord

Nee. Een rijbaan is een aaneengesloten deel van een verharde weg dat bedoeld is om bereden te worden. Een rijstrook is een deel van de rijbaan dat ongeveer de breedte heeft van één voertuig.

Toelichting

De woorden rijbaan en rijstrook zijn afkomstig uit de vakterminologie van het verkeerswezen en vandaaruit doorgedrongen in de gewone omgangstaal. Binnen de vakterminologie zijn er drie termen van belang:

1. Rijbaan: het aaneengesloten deel van een weg dat ervoor bestemd is om door voertuigen te worden bereden.

2. Rijstrook: het deel van een rijbaan dat de breedte heeft van een voertuig, plus enige speling aan beide zijden.

3. Voertuigbaan: het deel van de rijbaan dat daadwerkelijk door een rijdend voertuig wordt gebruikt.

Een rijstrook is dus iets breder dan een voertuigbaan, terwijl een rijbaan gewoonlijk uit ten minste twee rijstroken bestaat. Gewone autowegen en autosnelwegen met een middenberm bestaan normaliter uit twee rijbanen, die elk weer zijn verdeeld in twee, drie of soms vier rijstroken.

In de omgangstaal wordt (rij)baan vaak gebruikt in de betekenis 'rijstrook'. Men spreekt meestal over een vierbaansweg, als men een tweebaansweg bedoelt met in totaal vier rijstroken. Ook spreekt men gewoonlijk van tweebaansweg als men een enkelbaansweg bedoelt met twee rijstroken. Omdat deze afwijkingen van de vakterminologie verwarrend kunnen zijn, raden wij het gebruik van twee- en vierbaansweg in deze betekenis af in situaties waarbij er verwarring zou kunnen ontstaan.

Zie ook

Baan / weg
Bedding / baan
Vierbaansweg

Bronnen

Centrale Taalcommissie voor de Techniek (1954). Weg- en Waterbouwkunde. Woordenlijst. 's-Gravenhage: Hoofdcommissie voor Normalisatie in Nederland. (pp. 12-13, 40-41)
Clerck, W. de (1981). Nijhoffs Zuidnederlands Woordenboek. 's-Gravenhage: Martinus Nijhoff. (p. 439)
Nomenclatuur van de weg(NEN 3391) (1968). Arnhem: Stichting Studie Centrum Wegenbouw. (pp. 18-19, 22-23, 52-53)
Nomenclatuur van het verkeer (wegverkeer) (NEN 3391) (1970). Rijswijk: Nederlands Normalisatie Instituut. (pp. 6-7, 14-15, 18-19)
Nomenclatuur van weg en verkeer (1986). Ede: RAW, SCW, SVT. (pp. 11, 38, 40, 83-84, 104)
Internationale Woordenlijst voor de Wegverkeerskunde (1957). S.l.: World Touring and Automobile Organisation UNESCO. (pp. 1032, 1038, 2012-2013, 2021, 9005)
Penninckx, W. (1968). ABN in het verkeer. Heule: UGA. (pp. 14-17)
W.J.A. Rylant, W.J.A. (1974). Inleiding tot de verkeerskunde. Antwerpen: Nationaal Hoger Instituut Voor Bouwkunst en Stedebouw. (pp. 217-219)
Technisch Woordenboek voor Wegen en Verkeer (1987). [Delft: Rijkswaterstaat]. (pp. 1-2, 4-5, 15, 47, 73, 176-177)
Wisselingh, T.H. van e.a. (red.) (1953). Weg en verkeer. Amsterdam: Van Holkema en Warendorf. (pp. 7, 169)

Naslagwerken

Grote Van Dale (2005); Van Dale Hedendaags Nederlands (1996); Kramers (1996); Verschueren (1996); Wolters-Koenen (1996)