Wordt ophouden met hebben of met zijn vervoegd?
Het werkwoord ophouden, met de betekenis 'eindigen, stoppen, niet doorgaan', wordt in de voltooide tijden gewoonlijk met zijn vervoegd, maar de vervoeging met hebben komt ook voor.
Het onovergankelijke werkwoord ophouden ('eindigen, stoppen, niet doorgaan') wordt net als de andere werkwoorden die een verandering van de toestand van het onderwerp uitdrukken, in de voltooide tijden in de regel met het hulpwerkwoord van tijd zijn vervoegd. Zo vermeldt Van Dale alleen maar is opgehouden. Volgens de ANS komt toch ook geregeld hebben als hulpwerkwoord voor. Als voorbeelden worden daar gegeven:
(1a) Eind 1991 is de Sovjetunie officieel opgehouden te bestaan.
(1b) Eind 1991 heeft de Sovjetunie officieel opgehouden te bestaan.
(2a) Het was eindelijk opgehouden met regenen.
(2b) Het had eindelijk opgehouden met regenen.
De werkwoorden eindigen en stoppen kunnen eveneens zowel met zijn als met hebben vervoegd worden, maar in dat geval maakt het een verschil of er sprake is van overgankelijk dan wel onovergankelijk gebruik. Bij overgankelijk gebruik is het hulpwerkwoord hebben, bij onovergankelijk gebruik zijn. Zie respectievelijk de voorbeelden (3) en (4):
(3) De doelman heeft de bal gestopt. (overgankelijk)
(4) Iedere vorm van samenwerking is om onverklaarbare redenen plotseling gestopt. (onovergankelijk)
Het overgankelijke werkwoord ophouden, met als mogelijke betekenissen onder meer 'omhooghouden' en 'tegenhouden', wordt met hebben vervoegd, bijvoorbeeld:
(5) Ze hebben lange tijd de schijn opgehouden dat alles koek en ei was.
(6) Talloze files hadden hem opgehouden.
Vorming van voltooide tijden met hebben / zijn (algemeen)
Gevolgd (ik ben / heb hem -)
Gewonnen (ik ben / ik heb -)
Hebben / zijn (Hij is / heeft binnen kunnen komen)
Vergeten (ik ben / heb het -)
Verloren (ik ben / heb het -)
ANS (1997); Grote Van Dale (2005)