Officiële spelling Nederlandse Taalunie

Onverwachtse / onverwachte

Vraag

Wat is correct: het onverwachtse bezoek of het onverwachte bezoek?

Antwoord

Zowel onverwachtse als onverwachte is correct. Het onverwachte bezoek is het gebruikelijkst.

Toelichting

Onverwacht en onverwachts komen beide voor als bijwoord en als bijvoeglijk naamwoord. Er is geen betekenisverschil tussen deze woorden.

In de volgende zinnen zijn onverwacht en onverwachts als bijwoord gebruikt.

(1a) Ze kwam onverwacht binnen.

(1b) Ze kwam onverwachts binnen.

(2a) Luc is onverwacht overleden.

(2b) Luc is onverwachts overleden.

Als bijvoeglijk naamwoord kunnen onverwacht en onverwachts als naamwoordelijk deel van het gezegde fungeren ((3a) en (3b)) of als een bepaling bij een zelfstandig naamwoord staan ((4a) en (4b), (5a) en (5b)).

(3a) Zijn dood is erg onverwacht.

(3b) Zijn dood is erg onverwachts.

(4a) Met een onverwacht bezoekje kun je hem veel plezier doen.

(4b) Met een onverwachts bezoekje kun je hem veel plezier doen.

(5a) Dat was een onverwachte nederlaag.

(5b) Dat was een onverwachtse nederlaag.

In de praktijk komt onverwachts vaker voor als bijwoord dan als bijvoeglijk naamwoord; met name de verbogen vorm onverwachtse is niet zo gebruikelijk.

Zie ook

Dagdagelijks / dagelijks
Herhaaldelijke / herhaalde
Mogelijks / mogelijk
Recentelijk / recent
Respectievelijke / respectieve
Tevergeefse / vergeefse
Voorafgaandelijk / voorafgaand

Bronnen

Onze Taal. Onverwacht / onverwachts. Geraadpleegd op 15 september 2015 via https://onzetaal.nl/taaladvies/advies/onverwacht-onverwachts.

Naslagwerken

 

onverwachts

onverwacht

Grote Van Dale (2015)

bw. zonder erop voorbereid te zijn, syn. plotseling: hij werd onverwachts overgeplaatst (

bn. onverwacht: een onverwachts bezoek

bn. niet verwacht (komend of geschiedend), niet voorzien: dit onverwachte schouwspel; het was erg onverwacht; wij zijn onverwachts gekomen, onvoorziens

Van Dale Hedendaags Nederlands (2008)

[bn] onverwacht

[bw] plotseling, zonder erop voorbereid te zijn

[bn] niet verwacht of voorzien

Koenen (2006)

bn, bw plotseling; zonder op iets voorbereid te zijn: hij kwam ~, zijn ~e overlijden

bn, bw niet verwacht of voorzien: een ~e uitkomst

Prisma Handwoordenboek Nederlands (2014)

bn zonder dat het verwacht was, plotseling

bn zonder dat het verwacht was, plotseling