Kan leefbaar gebruikt worden in de betekenis 'in staat om voort te leven, rendabel genoeg om in stand gehouden te worden'?
Ja, in die betekenis is leefbaar standaardtaal in België. Standaardtaal in het hele taalgebied is levensvatbaar.
Leefbaar betekent in de standaardtaal in het hele taalgebied 'geschikt om erin te leven'.
(1) Door de geluidsoverlast van het vliegveld is deze buurt voor veel Oostendenaren niet meer leefbaar.
Leefbaar is ook standaardtaal in België in de betekenis van levensvatbaar, namelijk 'rendabel genoeg om in stand gehouden te worden'.
(2) De concurrentie van grootwarenhuizen deed veel kleine kruidenierszaken de das om. Dergelijke kleinschalige familiebedrijfjes zijn tegenwoordig niet meer leefbaar. [standaardtaal in België]
Standaardtaal in het hele taalgebied is levensvatbaar.
(3) Ondanks de prachtige reclame bleek het wijnbedrijfje van de heer Daems niet levensvatbaar.
Behartenswaardig / behartigenswaardig
Blijkbaar / schijnbaar
Gebruikersvriendelijk / gebruiksvriendelijk
| leefbaar | levensvatbaar | |
| Grote Van Dale (2005) | 2 (Belg.N., niet alg.) levenskrachtig, levensvatbaar | 1 geschikt om te kunnen gaan leven |
| Van Dale Hedendaags Nederlands (2002) | 2 (Belg., niet alg.) (van bedrijven) rendabel, levensvatbaar | 1 geschikt om te kunnen gaan leven 2 (van voorstellen e.d.) geschikt om succes te hebben |
| Verschueren (1996) | 2. Z.N. in staat om te leven, levensvatbaar, levenskrachtig | vatbaar, geschikt voor het leven, om te bestaan |
| Koenen (1999) | [in deze betekenis niet opgenomen] | in het bezit van levenskracht |
| Kramers (2000) | 2 ZN levensvatbaar, levenskrachtig; rendabel | goede kans hebbend in leven te blijven; geschikt om zich te ontwikkelen en voort te bestaan |
| Correct Taalgebruik (2001), p. 140 | Er is een verschil tussen leefbaar en levensvatbaar. In economische betekenis zegt men van een bedrijf dat het levensvatbaar is, d.w.z. dat het rendabel is of kan worden. (…) Met leefbaar wordt aangegeven dat een situatie aanvaardbaar, geschikt is om in te leven, meestal in negatieve zinnen. | - |
| Woordenboek correct taalgebruik (2004), p. 154 | [wordt afgekeurd] een – commercieel tv-station, levensvatbaar, rendabel. – wel: waarin, waarop geleefd kan worden: de wereld is weer - | - |
| Taalwijzer (1998), p. 197, 201 | niet te verwarren met *levensvatbaar; leefbaar betekent: aantrekkelijk en geschikt om erin of ermee te leven. | niet te verwarren met *leefbaar; levensvatbaar betekent: kracht tot leven bezittend, geschikt om zich te ontwikkelen en voort te bestaan. |
| Vlaams-Nederlands woordenboek (2003) | in België ook: levensvatbaar, levenskrachtig, rendabel | - |