Officiële spelling Nederlandse Taalunie

Hebben / zijn (Hij is / heeft binnen kunnen komen)

Vraag

Is het Hij is met moeite binnen kunnen komen of Hij heeft met moeite binnen kunnen komen?

Antwoord

Beide constructies zijn correct. Hij is met moeite binnen kunnen komen is standaardtaal in België, maar wordt ook door heel wat mensen in Nederland gebruikt. De mate waarin de constructie met zijn in Nederland aanvaard is, is vooralsnog onduidelijk. Hij heeft met moeite binnen kunnen komen is standaardtaal in het hele taalgebied.

Toelichting

Voor de vorming van de voltooide tijden van combinaties van werkwoorden, zoals gaan slapen of beginnen te eten, geldt als algemene regel dat de keuze tussen de hulpwerkwoorden van tijd hebben en zijn niet bepaald wordt door het hoofdwerkwoord (slapen en eten in de voorbeelden), maar door het werkwoord waar dat hoofdwerkwoord van afhankelijk is (in de voorbeelden respectievelijk gaan en beginnen). Dat andere werkwoord wordt groepsvormend genoemd: het bepaalt niet alleen de vorm van het hoofdwerkwoord (een infinitief bij gaan en een infinitief met te bij beginnen), maar aan het eind van een zin vormt het een ondoordringbare groep met het hoofdwerkwoord.

(1) De kinderen zijn al gaan slapen.

(2) We waren nog maar net beginnen te eten, (toen de bel ging.)

Slapen en eten zijn allebei werkwoorden die met hebben vervoegd worden, maar in de voorbeelden (1) en (2) wordt het hulpwerkwoord van tijd zijn gebruikt omdat gaan en beginnen met zijn vervoegd worden, net als in (3) en (4).

(3) De kinderen zijn al naar bed gegaan.

(4) We waren net met de voorbereidingen begonnen.

Het verschil met (3) en (4) is dat in de zinnen (1) en (2) de werkwoorden gaan en beginnen niet in de vorm van een deelwoord verschijnen, maar in de vorm van een vervangende infinitief.

Ook een hulpwerkwoord zoals kunnen kan groepsvormend gebruikt worden. De hulpwerkwoorden van modaliteit kunnen, moeten, hoeven, mogen en willen, evenals de groepsvormende werkwoorden durven, weten, proberen en trachten, die allemaal met hebben vervoegd worden, vormen echter een uitzondering op de genoemde algemene regel: als ze gecombineerd worden met een zelfstandig werkwoord dat zelf met zijn vervoegd wordt (bijvoorbeeld binnenkomen), dan kan bij de vorming van de voltooide tijden zowel hebben als zijn optreden. Zo wordt kunnen bij zelfstandig gebruik met hebben vervoegd.

(5) Hij heeft dat nooit gekund.

Bij een combinatie als kunnen binnenkomen is echter zowel hebben als zijn mogelijk. De tweede constructie wordt algemeen gebruikt in België, maar komt ook, zij het in mindere mate, voor in Nederland.

(6a) Hij heeft niet binnen kunnen komen.

(6b) Hij is niet binnen kunnen komen. [standaardtaal in België] [status in Nederland onduidelijk]

De voorkeur voor hebben of zijn kan ook verschillen naargelang van de combinatie van werkwoorden, maar in principe zijn er bij de genoemde groepsvormende werkwoorden twee mogelijkheden.

(7) We hebben/zijn niet tot het eind van het feest willen blijven.

(8) Drie gevangenen hebben/zijn vanmorgen uit de gevangenis proberen te ontsnappen.

(9) Ze hebben/zijn aan hun bewakers weten te ontkomen.

Zie ook

Vorming van voltooide tijden met hebben / zijn (algemeen)

Gevolgd (ik ben / heb hem -)
Opgehouden te bestaan (het heeft / is -)
Gewonnen (ik ben / ik heb -)

Naslagwerken

Geschiedenis van het Nederlands in de twintigste eeuw (1999), p. 116-120.

 

hebben / zijn

ANS (1997), p. 81 of online via de E-ANS Een tweede uitzondering op de algemene regel [i.e. voor de vorming van voltooide tijden van werkwoorden die zelf al groepsvormend gebruikt zijn] vormen de werkwoorden durven, kunnen, moeten (en hoeven), mogen, proberen, trachten, weten en willen, in zoverre dat ze weliswaar altijd met hebben vervoegd kunnen worden, maar indien gecombineerd met een zelfstandig werkwoord dat in de voltooide tijden zijn krijgt (bijv. blijven: is gebleven), óók met zijn. Anders geformuleerd: het hulpwerkwoord van tijd kan zich ook naar het zelfstandig werkwoord richten. (…) De voorkeur voor één van beide varianten kan verschillen naargelang van het zelfstandig werkwoord en/of de combinatie van werkwoorden. Er doen zich ook individuele verschillen in voorkeur voor tussen taalgebruikers. Afgezien van dit alles is de voorkeur voor één van beide varianten ook niet in alle delen van het taalgebied dezelfde. Hoewel er nogal wat geografische variatie blijkt te zijn, kan hierin toch een algemene tendens aangegeven worden: in Nederland kiest men veeleer voor hebben, in België – zij het in minder sterke mate – voor zijn.