Officiële spelling Nederlandse Taalunie

Genegen / geneigd

Vraag

Wat is correct: De directie was niet genegen om de eisen van de actievoerders in te willigen of De directie was niet geneigd om de eisen van de actievoerders in te willigen

Antwoord

Genegen in de betekenis 'bereid om/tot' is standaardtaal in Nederland. Geneigd is in dezelfde betekenis standaardtaal in het hele taalgebied.

Toelichting

Geneigd wordt in de standaardtaal gebruikt in de betekenissen 'een (natuurlijke) neiging hebben om/tot, de drang voelen om/tot' en 'bereid zijn om/tot'.

(1) Uit onderzoek bleek dat mannen die tot tien tellen bij een moeilijke situatie minder snel geneigd zijn vreemd te gaan.

(2) Mensen die een accuraat zelfbeeld hebben, zouden eerder geneigd zijn tot depressies.

(3a) Ze leek er niet erg toe geneigd om met mij te praten.

(4a) Ondanks de druk van het Westen is de president niet geneigd tot een compromis.

In de standaardtaal in Nederland komt ook genegen voor in de betekenis 'bereid zijn om/tot'.

(3b) Ze leek er niet erg toe genegen om met mij te praten. [standaardtaal in Nederland]

(4b) Ondanks de druk van het Westen is de president niet genegen tot een compromis. [standaardtaal in Nederland]

Bijzonderheid

De constructie iemand of iets genegen zijn ('iemand of iets gunstig gezind, toegenegen zijn') is gebruikelijker in België dan in Nederland.

(5) Veel Nederlanders waren koningin Beatrix zeer genegen.

(6) Wij zijn het idee genegen om meer bomen te planten in onze gemeente.

(7) Hij wil ons graag helpen omdat hij onze organisatie zo genegen is.

Zie ook

Om (het is moeilijk - dat te geloven)

Naslagwerken

 

genegen

geneigd

Grote Van Dale (2005)

1 neiging, lust tot iets hebbend: hij is niet genegen toestemming daartoe te geven; hij is tot medewerking genegen;

2 (in zwakkere opvatting) bereid: gevraagd een telefoniste, ook genegen enig administratief werk te verrichten;

3 gunstig gezind, welwillend: (m.betr.t. personen) iem. genegen zijn, hem toegenegen zijn, welwillend, gunstig jegens hem gestemd zijn; zijn verzoek vond een genegen oor, een welwillend gehoor

1 een natuurlijke neiging tot iets hebbend: de mens is geneigd tot zondigen, zijn aard brengt dat mee; 2 (in zwakkere opvatting) neiging tot iets gevoelend, t.w. in bep. omstandigheden: zij scheen geneigd hem te geloven; ik zou bijna geneigd zijn dit te aanvaarden

Van Dale Hedendaags Nederlands (2008)

1 bereid ertoe genegen zijn om … ergens toe bereid zijn 2 welwillend: een genegen oor vinden gehoor vinden

Geneigd tot neiging tot iets hebben: ertoe geneigd zijn om te …

Koenen (2006)

1 gunstig gezind: iem ~ zijn; 2 een (min of meer weloverwogen) lust, neiging hebbend tot: hij voelt er zich toe ~ ; 3 tot iets bereid; geen bezwaar tegen iets hebbend: ~ zijn (om) iets te doen; 4 geneigd: ~ tot uitspattingen

overhellend tot, neiging hebbend tot; genegen: ~ tot luiheid

Woordenboek Correct Taalgebruik (2004), p. 96

[wordt afgekeurd] - zijn iets te doen, geneigd. WEL: hij is me – (gunstig gezind).

-

Prisma Handwoordenboek Nederlands (2009)

1 gunstig gezind iem. ~ zijn iem. graag mogen 2 geneigd tot, bereid tot: het bestuur was niet ~ om op de wensen van de leden in te gaan

neiging gevoelend tot, overhellend tot: ~ tot onderhandelingen