Officiële spelling Nederlandse Taalunie

Haar / ze / hem (de kaars, ik heb - uitgeblazen)

Vraag

Wat is de juiste voorwerpsvorm van het persoonlijke voornaamwoord om naar het woord kaars te verwijzen? Ik heb ze uitgeblazen, Ik heb haar uitgeblazen of Ik heb hem uitgeblazen?

Antwoord

Zowel hem als haar als ze is correct om te verwijzen naar een woord als kaars. Kaars kan zowel mannelijk als vrouwelijk opgevat worden. In het noorden van het taalgebied (Nederland) is hem of 'm het gewoonst. In het zuiden (België en delen van Nederland) is ze het gebruikelijkst. Haar wordt er soms ook wel gebruikt, maar veel taalgebruikers beschouwen die vorm als formeler.

Om het verwijzingsprobleem te omzeilen wordt in de praktijk vaak een ander formulering gekozen, bijvoorbeeld een verwijzing met die of deze. Bijvoorbeeld: (de kaars) die heb ik uitgeblazen.

Toelichting

Een groot aantal zaaknamen kan zowel mannelijk als vrouwelijk gebruikt worden: bij die de-woorden geven de meeste naslagwerken geen aanduiding m. of v. Enkele voorbeelden van dergelijke zaaknamen: bloem, lamp, kast, pan, tafel, deur, klok, vork, kaart, sigaret.

In het noorden van het taalgebied worden zulke woorden veelal als mannelijke woorden gebruikt. Er wordt naar verwezen met de niet-onderwerpsvorm hem (of de gereduceerde vorm 'm). In het zuiden worden die woorden meestal als vrouwelijk beschouwd. Er wordt meestal de niet-onderwerpsvorm ze gebruikt. Soms wordt in het zuiden ook haar gebruikt, maar voor veel taalgebruikers doet die vorm formeler aan.

(1a) Waar is de bloem die ik voor je geplukt heb? Ik heb ze in een vaas gezet.(in het zuiden van het taalgebied)

(1b) Waar is de bloem die ik voor je geplukt heb? Ik heb haar in een vaas gezet.(in het zuiden van het taalgebied, formeler)

(1c) Waar is de bloem die ik voor je geplukt heb? Ik heb hem in een vaas gezet.(in het noorden van het taalgebied)

(2a) Onze koelkast is stuk. We hadden ze al twintig jaar. (in het zuiden van het taalgebied)

(2b) Onze koelkast is stuk. We hadden haar al twintig jaar. (in het zuiden van het taalgebied, formeler)

(2c) Onze koelkast is stuk. We hadden 'm al twintig jaar. (in het noorden van het taalgebied)

(3a) Hij nam de pan van het vuur en zette ze op het aanrecht. (in het zuiden van het taalgebied)

(3b) Hij nam de pan van het vuur en zette haar op het aanrecht. (in het zuiden van het taalgebied, formeler)

(3c) Hij nam de pan van het vuur en zette hem op het aanrecht. (in het noorden van het taalgebied)

In de praktijk wordt bij zaaknamen de voorwerpsvorm voor het persoonlijk voornaamwoord (hem, ze, haar) vaak vervangen door de aanwijzende voornaamwoorden die en deze, die naar mannelijke én vrouwelijke zelfstandige naamwoorden kunnen verwijzen. Die manier van formuleren is vaak wat vlotter en kan bovendien het verwijzingsprobleem helpen omzeilen.

(1d) Waar is de bloem die ik voor je geplukt heb? Die heb ik in een vaas gezet.

(2d) Onze koelkast is snel stukgegaan, omdat we die niet goed onderhouden hadden.

Zie ook

Verwijzingsproblemen met voornaamwoorden van de derde persoon enkelvoud (algemeen)
Volle en gereduceerde vormen van persoonlijke en bezittelijke voornaamwoorden (algemeen)
Woordgeslacht (algemeen)

Hem / ze / haar (de bibliotheek, hij heeft - geopend)
Hen, hun / ze (verwijzing naar zaken)
Ze / haar (verwijzing naar personen)
Zij / ze (verwijzing naar zaken)
Zijn / haar (de muis heeft - staart bezeerd)

Bronnen

Hendrickx, R. (2001) Hak haar fijn! Geraadpleegd op 20 november 2011 via http://www.vrt.be/taal/hak-haar-fijn .

Audring, J. (2008). Mijn hart, die klopte in mijn keel. Onze Taal, 77, nr. 10, 278-279.

Vries, J. de (2001). Onze Nederlandse spreektaal. Den Haag: Sdu.

Naslagwerken

ANS (1997), p. 243-244, 250 of online via de E-ANS; Taalboek Nederlands (2003), p. 172; WNT