Officiële spelling Nederlandse Taalunie

Thuis (een goede / goed -)

Vraag

Wat is juist: we zoeken voor deze hondjes een goed thuis of een goede thuis?

Antwoord

Beide mogelijkheden zijn juist. Thuis kan zowel een de-woord als een het-woord zijn, dus zowel een goede thuis als een goed thuis is correct. In België wordt thuis opgevat als de-woord, in Nederland als het-woord.

Toelichting

Thuis is volgens de meeste hedendaagse woordenboeken een onzijdig woord. Van oudsher kan thuis echter zowel onzijdig als mannelijk zijn. En in de praktijk blijkt er in het hedendaags Nederlands vooral een gebruiksverschil tussen België en Nederland te zijn: in België wordt thuis hoofdzakelijk als een mannelijk de-woord gezien; in Nederland wordt thuis doorgaans als het-woord gebruikt. Zowel de thuis als het thuis is correct. 

Als thuis wordt opgevat als het-woord, wordt een bijvoeglijk naamwoord dat voorafgaat alleen verbogen als het voorafgegaan wordt door het, dit, dat, een bezittelijk voornaamwoord of een vooropgeplaatste genitief. Na een, zo’n, elk en dergelijke blijft het bijvoeglijk naamwoord onverbogen.

(1a) YFU is op zoek naar gastgezinnen die buitenlandse studenten het komende jaar een warm thuis willen bieden. (in Nederland)

(2a) Na zes jaar is Londen voor haar een echt thuis geworden. (in Nederland)

(3a) We zijn erg tevreden over het nieuwe thuis dat we voor onze dwerggeit gevonden hebben. (in Nederland)

(4a) Ik hoop dat we snel zullen wennen aan ons nieuwe thuis. (in Nederland)

Als thuis wordt opgevat als de-woord, wordt het bijvoeglijk naamwoord dat voorafgaat altijd verbogen.

(1b) YFU is op zoek naar gastgezinnen die buitenlandse studenten het komende jaar een warme thuis willen bieden. (in België)

(2b) Na zes jaar is Londen voor haar een echte thuis geworden. (in België)

(3b) We zijn erg tevreden over de nieuwe thuis die we voor onze dwerggeit gevonden hebben. (in België)

(4b) Ik hoop dat we snel zullen wennen aan onze nieuwe thuis. (in België)

Bijzonderheid

Als synoniem van thuis (als het-woord) kan soms ook tehuis gebruikt worden.

Zie ook

Verbogen / onverbogen bijvoeglijk naamwoord zonder betekenisverschil (algemeen)
Woordgeslacht (algemeen)

Cluster (de / het -)
Deken (het / de -)
Idee (de / het -)
Matras (het / de -)
Modem (de / het -)
Nuclide (de / het -)
Procent (een halve / half -)
Van thuis uit werken / van huis uit werken / vanuit huis werken / thuiswerken

Naslagwerken

 

thuis

Grote Van Dale (2005)

(het) woning waarin iemand woont (soms met de bijgedachte dat men er zich op zijn gemak, niet als een vreemde voelt): geen thuis hebben, vgl. tehuis

Van Dale Hedendaags Nederlands (2006)

[het ~] 1 woning waarin iem. woont

Verschueren (1996)

II. o. woning waarin iemand als huisgenoot verblijft: ergens een gezellig - vinden (…) Vgl. tehuis

Koenen (2006)

II o. plaats waar men thuis is; tehuis(1): een gezellig ~

Woordenboek Correct Taalgebruik (2004), p. 272

[de -, wordt afgekeurd] het -, het tehuis

Het Witte Woordenboek Nederlands (2007)

(synoniem tehuis) het eigen woning; gezin waar men als huisgenoot verkeert

Prisma Handwoordenboek Nederlands (2009)

(synoniem tehuis) het eigen woning; gezin waar men als huisgenoot verkeert

WNT

znw. onz. , in Z.-Nederl. m. Het bijw. Thuis (I), als znw. gebezigd; daarnaast, vooral in geschreven taal, tehuis, dat in een bepaalde toepassing uitsluitend gebruikt wordt