Officiële spelling Nederlandse Taalunie

Geel-groen / geelgroen

Vraag

Wat is correct: geel-groen of geelgroen?

Antwoord

Zowel geel-groen als geelgroen is juist. De spelling is afhankelijk van de betekenis. Geelgroen is één kleur, bij geel-groen gaat het om twee kleuren.

Toelichting

In de schrijfwijze geel-groen geeft het streepje tussen de woorden aan dat het om twee gelijkwaardige delen gaat, twee kleuren in dit geval. De woorddelen kunnen in principe zonder betekenisverschil met elkaar verwisseld worden: groen-geel is hetzelfde als geel-groen. Het streepje tussen de kleuren drukt de betekenis 'en' uit: geel-groen is geel én groen.

(1) ADO Den Haag voetbalt in geel-groen tenue.

(2) Ze liet wit-roze visitekaartjes drukken.

(3) Aanvankelijk fotografeerde Van Duyvendijk zwart-wit, nu in kleur.

Geelgroen is een samenstelling van de woorden geel en groen. Het laatste deel in een samenstelling geeft aan waarom het gaat: geelgroen is een soort groen. Het eerste deel in de samenstelling bepaalt het tweede nader: geelgroen is dus een geelachtig soort groen. Groengeel daarentegen is een groenachtige kleur geel.

(4) Het gazon was geelgroen geworden in de zon.

(5) Hij lachte zijn geelwitte tanden bloot.

Combinaties van drie kleuren komen ook voor: rood-wit-blauw, zwart-rood-goud, oranje-blanje-bleu.

(6) Rond 1800 is de Nederlandse vlag veranderd van oranje-wit-blauw naar rood-wit-blauw.

Bijzonderheid

Kleurcombinaties kunnen ook als zelfstandig naamwoord voorkomen.

(7) Paars-wit heeft gisteren een goede wedstrijd gespeeld.

Zie ook

Samenstelling en afleiding aaneen (Leidraad 6.2)
Samenstelling - bijzondere gevallen met koppelteken (Leidraad 6.3)
Samenkoppeling in samenstelling (Leidraad 6.6)

Man/vrouw-verhouding / man-vrouwverhouding
Tolk-vertalers / tolken-vertalers; vertaler-tolken / vertalers-tolken
Vertaler-tolk / tolk-vertaler

Naslagwerken

ANS (1997), p. 731 of online via de E-ANS; Technische Handleiding (2009), p. 89; Woordenlijst (2015)