Officiële spelling Nederlandse Taalunie

Helpen (te)

Vraag

Welke zin is juist: Wij helpen een Japanse toerist zijn hotel te vinden of Wij helpen een Japanse toerist zijn hotel vinden?

Antwoord

Beide zinnen zijn correct.

Toelichting

In hoofdzinnen kan een persoonsvorm van het werkwoord helpen verbonden worden met een infinitief met of zonder te.

(1a) Wij helpen een Japanse toerist zijn hotel te vinden.

(1b) Wij helpen een Japanse toerist zijn hotel vinden.

Die twee constructies zijn allebei correct. In (1b) wordt helpen gebruikt als een soort hulpwerkwoord met een zogenaamde korte infinitief zonder te. In (1a) daarentegen gaat het om een samengestelde zin met een beknopte bijzin als deel, wat blijkt uit de mogelijkheid om het voegwoord om toe te voegen.

(1c) Wij helpen een Japanse toerist (om) zijn hotel te vinden.

In een beknopte bijzin wordt altijd een zogenaamde lange infinitief (met te) gebruikt.

Het verschil tussen de beide constructies is het duidelijkst in bijzinnen (zie voorbeelden (2a) en (2b)), en in hoofdzinnen met naast helpen + infinitief nog een of meer hulpwerkwoorden (zie voorbeelden (3a) en (3b), (4a) en (4b)).

(2a) De toerist was blij dat wij hem hielpen (om) zijn hotel te vinden.

(2b) De toerist was blij dat wij hem zijn hotel hielpen vinden.

(3a) Wij moesten een Japanse toerist helpen (om) zijn hotel te vinden.

(3b) Wij moesten een Japanse toerist zijn hotel helpen vinden.

(4a) Wij hebben een Japanse toerist geholpen (om) zijn hotel te vinden.

(4b) Wij hebben een Japanse toerist zijn hotel helpen vinden.

In de (a)-zinnen is het werkwoord helpen niet-groepsvormend gebruikt. Het staat los van de infinitief in de zin. Bij dit gebruik van helpen komt bij de infinitief altijd te voor. Die infinitief maakt namelijk deel uit van de beknopte bijzin.

In de (b)-zinnen is het werkwoord helpen groepsvormend gebruikt: het vormt één ononderbroken geheel met het hoofdwerkwoord vinden. Bij dit gebruik van helpen komt te niet in de zin voor.

Het groepsvormende of niet-groepsvormende karakter van helpen bepaalt ook de vorm van helpen als de zin in de voltooide tijd staat. Bij het niet-groepsvormende gebruik hoort het gewone voltooid deelwoord geholpen (4a); bij het groepsvormende gebruik komt in plaats daarvan de infinitiefvorm helpen (4b).

Het verschil tussen het groepsvormende helpen (gecombineerd met een infinitief zonder te) en het niet-groepsvormende helpen (met een beknopte bijzin met te + infinitief) geldt voor de standaardtaal in het gehele taalgebied. In regionaal taalgebruik komen nog andere constructies voor. Die zijn geen standaardtaal.

(5a) Wij hebben een Japanse toerist zijn hotel helpen te vinden. (geen standaardtaal)

(5b) Wij hebben een Japanse toerist helpen zijn hotel vinden. (geen standaardtaal)

Bijzonderheid

Zinnen met een korte beknopte bijzin (zoals (6a)) of werkwoordelijke aanvulling (zoals (6b)) kunnen dubbelzinnig zijn:

(6a) De crimineel hielp zijn vrouw op te ruimen.

(6b) De crimineel hielp zijn vrouw opruimen.

Deze zinnen kunnen betekenen dat de vrouw van de crimineel bezig is met opruimen en dat de crimineel haar daarbij helpt, maar ook dat de crimineel samen met iemand anders zijn vrouw 'opruimt'. Wie een mogelijk verkeerde lezing wil uitsluiten, kan de infinitief substantiveren en er een voorzetsel voor zetten:

(6c) De crimineel hielp zijn vrouw met opruimen.

(6d) De crimineel hielp zijn vrouw bij het opruimen.

(6e) De crimineel hielp bij/met het 'opruimen' van zijn vrouw.

Zie ook

Werkwoordvolgorde in werkwoordgroepen: groepen van twee werkwoorden (algemeen)

Beginnen / begonnen
Beginnen + infinitief
Durven (te)
Komen aanrijden / aangereden
Proberen / geprobeerd

Naslagwerken

ANS (1997), p. 1025-1026 of online via de E-ANS